Wolf of zondebok?

5 Apr

Dit artikel is in 2007 verschenen in Kerk en Theologie

Een beschuldiging van seksueel misbruik roept in een kerkelijke gemeente veel emoties op, zeker wanneer de beschuldigde de voorganger is. De gevolgen zijn niet alleen voor de direct betrokkenen, maar ook voor gemeenteleden vaak ingrijpend, zij het op een ander niveau. Verdeeldheid, partijvorming en het beschadigd vertrouwen in voorgangers of in de kerk kunnen soms zelfs het voortbestaan van een gemeente bedreigen. Uit onderzoek blijkt dat de gevolgen van het misbruik voor de gemeente enerzijds te maken hebben met de ernst van het misbruik en de positie van de betrokkenen, en anderzijds met de afwikkeling van de kerkelijke procedures[1]. Een relatief vlotte afwikkeling met transparant beargumenteren van de gekozen weg komt het proces in de gemeente ten goede. Het is dan ook toe te juichen dar de Protestantse Kerk in Nederland een protocol heeft opgesteld hoe te handelen bij seksueel misbruik in pastorale relaties[2]. Toch geeft dit protocol niet op alle vragen een overtuigend antwoord. Zo blijft de vraag of een predikant die zich schuldig heeft gemaakt aan seksueel misbruik opnieuw het ambt mag vervullen, al dan niet met bepaalde voorwaarden, veel discussie oproepen.

Het doel van dit artikel is in de eerste plaats om inzichtelijk te maken hoe het proces in een gemeente verloopt, en op welke manier de kerkelijke procedures van invloed kunnen zijn op dit proces. In de tweede plaats draagt dit artikel criteria aan die behulpzaam zijn bij het bepalen van de tuchtmaatregel wanneer een predikant zich schuldig heeft gemaakt aan seksueel misbruik. Wat is er nodig om tot een afgewogen beoordeling te kunnen komen?

Het proces in de kerkenraad

In mijn onderzoek naar het proces in de kerkenraad als de predikant seksueel misbruik heeft gepleegd[3] heb ik drie verhalen van kerkenraden beschreven. Hieruit komt naar voren dat dit proces zich goed laat beschrijven aan de hand van zes thema’s of episoden. Onder een episode versta ik een relatief zelfstandige of semi-autonome verhaallijn met zowel een eigen onderscheidende thematiek als een eigen plot binnen het grote verhaal van het proces in de kerkenraad. In een proces komen thema’s soms na verloop van tijd weer terug, of lopen verschillende thema’s door elkaar heen. Door het beschrijven in episoden is er ruimte voor die ongelijktijdigheid en het circulaire aspect van een proces.

De eerste episode is dus gecentreerd rond de vraag wat misbruik is: met welke termen worden de seksuele handelingen van de predikant aangeduid? Wordt de nadruk gelegd op de romantiek en de seksualiteit of op het verschil in macht, het overschrijden van professionele grenzen en het misbruiken van het ambt? Hoe de seksuele handelingen worden benoemd hangt af van het perspectief dat wordt ingenomen: er zijn drie centrale perspectieven te onderscheiden: het perspectief van het slachtoffer, van de dader en van de neutrale toeschouwer.[4] De visie op de werkelijkheid (is er echt sprake van misbruik?) zal mede afhangen van het perspectief. Het mag duidelijk zijn dat het spreken over ‘dader’ en ‘slachtoffer’ al een keuze inhoudt. Deze eerste episode speelt ook een belangrijke rol in de voorfase wanneer de vraag aan de orde komt of de seksuele handelingen al dan niet als misbruik herkend worden. Zelf hecht ik er waarde aan om in de beoordeling van de seksuele handelingen de nadruk te leggen op de professionaliteit van de predikant. Het betekent dat ik de handelingen vanuit het perspectief van macht analyseer. Ik houd de predikant als meermachtige verantwoordelijk voor het handhaven van de grenzen, op basis van zijn / haar rol en positie, op basis van zijn / haar professionaliteit.

De tweede episode is gecentreerd rond de vraag: aan wie moet op welk moment welke informatie worden verteld? Omstandigheden buiten de kerkenraad zullen deze vraag beïnvloeden: geruchten en roddels in het informele circuit en mededelingen die via de pers worden gedaan. Daarnaast heeft de kerkenraad te maken met formele beperkingen met betrekking tot het informeren: het ambtsgeheim, het waarborgen van de privacy. Bij het nadenken over het wel of niet informeren van een nieuwe geleding (moderamen, kerkenraad, groep uit de gemeente, de gemeente) zullen vaak contrasterende belangen afgewogen dienen te worden: de belangen van het slachtoffer, de daderpredikant en de gemeente zullen vaak niet overeen komen.

De derde episode is gecentreerd rond het begrip ‘procedures’. Hier gaat het over de formele kant van het proces. Deze episode kent drie aandachtsvelden: het onderzoek naar de feiten, de begeleiding van de betrokkenen en de gemeente en de communicatie naar de betrokkenen en de gemeente. Het protocol dat onlangs in de Protestantse Kerk in Nederland aan de kerkenraden is verstrekt, is hierbij zeer behulpzaam.

De vierde episode is gecentreerd rond het thema ‘schuld’. Het gaat hierbij om het omgaan van de kerkenraad met het gegeven dat zijn predikant zich schuldig heeft gemaakt aan seksueel misbruik. Een centrale reactie is schuldgevoel: had de kerkenraad dit kunnen voorkomen? Had de kerkenraad dit moeten voorzien? Hoe heeft dit in de gemeente kunnen plaatsvinden zonder dat de kerkenraad het in de gaten had? Deze vragen kunnen een gevoel van eenzaamheid en vervreemding oproepen. Mogelijke reacties op het schuldgevoel zijn: alle schuld bij de predikant leggen, (een deel van) de schuld bij de slachtoffers leggen of het aandringen op vergeving (met of zonder schuldbelijdenis).

In de vijfde episode wordt ingegaan op de onderlinge verhoudingen en verbanden in de kerkenraad en de gemeente. Loyaliteit, leiderschap en transparantie zijn belangrijke begrippen voor de mate van integratie in een gemeente. De laatste episode verhaalt het beleid van de kerkenraad. Hierbij gaat het met name om de vraag of de kerkenraad reactief of pro-actief omgaat met de situaties die voortkomen uit het proces.

Zes episoden: drie samenhangende dimensies van het proces

Deze zes verhaallijnen laten drie dimensies zien, die in elk proces terugkomen: de inhoudelijke, de relationele of communicatieve, en de beleidsmatige kant van het proces. In de inhoudelijke dimensie gaat het om de aard van het seksueel misbruik, en om de vraag met welke woorden er gesproken wordt en welke betekenis hieraan gegeven wordt. De relationele dimensie heeft betrekking op communicatie, loyaliteit, vertrouwen en onderlinge verbondenheid. Wanneer er sprake is van een gepolariseerde gemeenschap kan het informeren van de gemeente de verdeelde groepen dichter bij elkaar brengen of juist meer van elkaar verwijderen. Omgekeerd kunnen een krachtige loyaliteit en vertrouwen de negatieve effecten van een terughoudende informatieverstrekking ongedaan maken. De beleidsmatige dimensie focust op de directe handelingen (het volgen van protocollen en procedures, het doen of laten doen van onderzoek) en op de visie achter de handelingen van de kerkenraad. Wat streeft hij na? Waar wil de kerkenraad naar toe? Wat zijn de leidende principes? Waar liggen de mogelijkheden en beperkingen van de kerkenraad?

Deze drie dimensies hangen nauw met elkaar samen. Dat betekent dan ook dat een thema dat binnen de ene dimensie geïntroduceerd wordt ook altijd doorwerkt en van betekenis is voor de andere dimensies. Het begrip ‘misbruik’ bijvoorbeeld, komt aan de orde in de inhoudelijke dimensie. Het gaat immers over de aard en betekenis van de seksuele contacten. De beschrijving binnen de inhoudelijke dimensie heeft echter ook gevolgen voor de relationele dimensie en voor de beleidsmatige dimensie. Wanneer bijvoorbeeld seksueel contact van de predikant gedefinieerd wordt als overspel en zonde tegen het 7de gebod, vraagt dit om een andere beleidsmatige benadering dan wanneer gesproken wordt over seksueel misbruik. Ook de polarisatie in een gemeente kan langs andere scheidslijnen en op andere gronden plaatsvinden al naar gelang de inhoudelijke definitie van de seksuele handelingen van de predikant. Hoewel ieder thema dan ook in elke dimensie beschreven zou kunnen worden, zijn er inhoudelijke redenen waarom een bepaald thema in een bepaalde dimensie in het bijzonder aandacht vraagt.

Dit geldt ook voor de kerkrechtelijke beoordeling van de beschuldiging van seksueel misbruik. Zowel de manier waarop het college tot een visie komt, als de eventuele tuchtmaatregel, kunnen een intensieve doorwerking hebben in het proces in de gemeente. De vraag of een predikant een tweede kans verdient, raakt dus ook aan de gemeente.

Wanneer speelt de vraag naar een mogelijke tweede kans?

De vraag naar een tweede kans voor een predikant die zich schuldig heeft gemaakt aan seksueel misbruik, speelt al in het begin van het proces. Wanneer iemand klacht indient tegen een predikant wegens vermeend seksueel misbruik, wordt deze klacht in behandeling genomen door het Regionale College voor het Opzicht. Als er in de klacht sprake is van misbruik van gezag, dienen er twee deskundigen aan het college te worden toegevoegd om tot een oordeel te kunnen komen. Wanneer de klacht gegrond wordt verklaard en het college over gaat tot het bepalen van een tuchtmaatregel, komt de vraag naar een eventuele twee kans aan de orde. In de kerkorde van de Protestantse Kerk in Nederland (Ordinantie 10) wordt beschreven welke middelen van kerkelijke tucht kunnen worden toegepast. Het gaat om vermaning, schorsing voor een bepaalde tijd, schorsing voor een onbepaalde tijd, en ontzetting uit het ambt. Door het opleggen van een schorsing biedt het College de predikant al een tweede kans. Een schorsing houdt immers logischerwijs in dat de predikant een kans heeft om weer actief als predikant te gaan functioneren. In de kerkorde wordt niet nader ingegaan op de vraag welke tuchtmaatregel wanneer dient te worden toegepast. De beoordeling van een situatie wordt dus overgelaten aan het inzicht van het College van Opzicht. De enige toevoeging (in 10-9-9) heeft betrekking op de schorsing voor onbepaalde tijd. Daar staat dat een middel van kerkelijke tucht dat voor onbepaalde tijd is toegepast, wordt opgeheven nadat berouw gebleken en verzoening met de gemeente tot stand is gekomen. Deze toevoeging is om twee redenen niet behulpzaam. Het eerste is dat berouw een moeilijk in te schatten begrip is. In veel verhalen blijkt het motief voor berouw geen betrekking te hebben op schulderkenning en inzicht in het aangedane leed, maar op de behoefte de moeilijke periode achter zich te laten. Het tweede is dat de kerkorde verzoening met de gemeente als voorwaarde stelt. Het is echter niet duidelijk wie ‘de gemeente’ is: heeft dit ook betrekking op de slachtoffers? Daarnaast impliceert verzoening dat de relatie volledig hersteld kan worden. Soms is het echter zo dat de gekwetste partij niet in staat is tot verzoening, ondanks de oprechte pogingen van de predikant. Is het terecht dat opheffing van de schorsing afhankelijk wordt gemaakt van het vermogen tot verzoening van de gekwetste partij?

Het betekent concreet dat de discussie over een eventuele terugkeer van de predikant in actieve dienst plaatsvindt in het college van opzicht. Een ernstige beperking hierbij is dat er geen jurisprudentie wordt bijgehouden, zodat het risico aanwezig is dat de tuchtmaatregel af zouden kunnen hangen van de toevallige samenstelling van het college. Twee dingen zijn dan ook van belang: in de eerste plaats verdient het aanbeveling dat tuchtzaken geanonimiseerd beschreven en gepubliceerd worden, zodat duidelijk wordt op grond waarvan welke tuchtmaatregel wordt toegepast. In de tweede plaats is het belangrijk dat de discussie over de tuchtmaatregel niet alleen in de colleges voor het opzicht worden gevoerd, maar ook breder onder de aandacht komt. Gemeenten, predikanten, de meerdere vergaderingen en de belangenbehartigers van direct betrokkenen hebben belang bij een open en heldere discussie. Op dit moment kan het optreden van het College van Opzicht (of de landelijke klachtencommissie, zoals die voorheen functioneerde in de Gereformeerde Kerken voor de oprichting van de Protestantse Kerk in Nederland) in getroffen gemeenten vragen oproepen. Dit kan een spanningsvergrotende factor in het proces zijn.

Twee voorbeelden[5]

Dominee X in gemeente A

Dominee X was 15 jaar predikant in gemeente A, toen hij uit het ambt werd ontzet wegens seksueel misbruik. X was vrijgezel. Hij was een charismatische predikant, die bij een deel van de gemeente veel aanzien genoot. Een ander deel had moeite met het functioneren van deze predikant. Daarnaast was bekend dat hij gemakkelijk was in de omgang was met vrouwen. Hij ging verschillende malen relaties aan, ook met vrouwen die hij via zijn activiteiten als predikant had leren kennen. Over het algemeen werd er vergoelijkend over deze relaties gesproken, totdat een van de vrouwen aangaf de relatie als misbruikend te hebben ervaren. Toen zich later een andere vrouw meldde werd er een procedure opgestart die uiteindelijke tot de ontzetting uit het ambt leidde. Deze beslissing riep veel weerstand op bij een deel van de gemeente. Ook de predikant zelf herkende zich niet in het geschetste beeld. De kerkenraad was tot dit besluit gekomen op grond van het advies van de landelijke klachtencommissie van de Gereformeerde Kerken. Deze commissie was tot het oordeel gekomen dat X misbruik binnen pastorale relaties had gepleegd en daarmee het ambt had geschonden. Om de zuiverheid van het ambt te waarborgen en omdat herhaling van het misbruik niet uit te sluiten was, adviseerde de commissie om X uit het ambt van predikant te ontzetten.

Veel gemeenteleden konden deze tuchtmaatregel niet begrijpen. Ze schreven brieven aan de kerkenraad waarin ze duidelijk maakten hoeveel dominee X voor hen had betekend. Ze stelden vragen bij de rol van de klaagsters, en bij de ernst van de seksuele handelingen. Hierbij speelde ook mee dat X gedurende zijn werkzame periode in gemeente A vrijgezel was. Het was toch goed te begrijpen dat een vrijgezelle predikant op zoek ging naar een relatie? Andere gemeenteleden vonden een dergelijke tuchtmaatregel volstrekt niet passen in een christelijke gemeente. Ze wezen op de weg van Jezus die vergeving predikte. “Zelfs Jezus vergaf aan het kruis een zware crimineel. Wij zouden vergevingsgezind moeten zijn.” Via de media liet X weten teleurgesteld te zijn in gemeente A. “De kerk is in flagrante tegenspraak met wat het geloof eigenlijk inhoudt.” Ook liet hij weten zich niet te herkennen in de term ‘seksueel misbruik’ en verweet de kerk een beklemmende seksuele moraal.

De kerkenraad maakte in verschillende reacties duidelijk dat het voor hem van doorslaggevend belang was geweest dat X geen inzicht toonde dat hij grenzen had overtreden. Hierdoor bleef de kans op herhaling aanwezig. Ook was door het gedrag van X het ambt in diskrediet gebracht.

X ging in beroep tegen de ontzetting uit het ambt. Zowel de Provinciale als de Landelijke Synode hadden veel vragen bij het ontslag van X. Beide malen moesten de commissies die de ‘zaak X’ in behandeling namen, overtuigd worden van de noodzaak van het ontslag. De kern van de kritiek was hoe iemand na een lange staat van dienst zo zijn ambt kon verliezen, en dan ook nog zonder afvloeiingsregeling. Doordat de kerkenraad van gemeente A wees op de pastorale gevolgen voor de slachtoffers en de gemeente bij een terugkeer van X, en doordat hij duidelijk maakte dat de kerkenraad in het verleden al vele malen vruchteloze pogingen had gedaan om het gedrag van X te veranderen, steunden beide synoden uiteindelijk het kerkenraadsbesluit.

Dominee Y in gemeente B

Dominee Y was 8 jaar predikant in gemeente B toen hij werd geschorst voor de duur van twee jaar wegens seksueel misbruik in pastorale relaties. In datzelfde jaar werd hij losgemaakt van de gemeente. De kerkenraad volgde hierin het advies van de landelijke klachtencommissie. De bevlogen predikant had binnen zijn pastorale arbeid moeite om grenzen te handhaven. Hij begeleidde een aantal vrouwen intensief, waarbij lichamelijkheid ook onderdeel uitmaakte van deze begeleiding. Meerdere gemeenteleden zagen de predikant hand in hand wandelen met pastoranten. Ook was dominee Y van mening dat lichamelijke nabijheid in de vorm van knuffels en omarmingen een heilzaam effect had op pastoranten. Hoewel verschillende gemeenteleden en kerkenraadsleden aangaven bezorgd te zijn over deze vorm van pastoraat, wilde de predikant niet naar de kritiek luisteren. Doordat verschillende vrouwen tenslotte een klacht indienden bij de klachtencommissie, kwam het advies tot schorsing tot stand. De schorsing zou pas kunnen worden opgeheven als gevaar voor herhaling niet meer te duchten viel. De opheffing van schorsing werd gekoppeld aan de voorwaarde van berouw en inzicht.

Veel gemeenteleden reageerden geschokt en met ongeloof op de reden van schorsing. Y was een predikant met veel charisma die nieuw elan in gemeente B had gebracht. In eerste instantie werden zijn pastorale inspanningen, zijn bevlogenheid en eigentijdse prediking gewaardeerd, maar in de periode dat de klachten bekend werden, was het draagvlak in de gemeente voor dominee Y sterk verminderd. Het seksueel misbruik viel echter niet te rijmen was met de positieve ervaringen met deze predikant. Wel was duidelijk dat het zeer onwenselijk was dat Y weer in de eigen gemeente aan de slag zou gaan.

Omdat Y was losgemaakt van gemeente B, werd de kerkenraad niet meer betrokken bij de verdere afwikkeling van de tuchtmaatregelen. Er ontstond onrust in de kerkenraad en de gemeente toen bekend werd dat de schorsing van dominee Y werd opgeheven, en hij zich weer beroepbaar mocht stellen. Zowel de kerkenraad als enkele gemeenteleden tekenden beroep aan tegen de opheffing van de schorsing. De kern van de kritiek was dat Y naar na zijn schorsing geen enkele blijk van inzicht, berouw of erkenning van schuld naar de slachtoffers of naar de gemeente had laten blijken, terwijl dit nadrukkelijk als voorwaarde opgenomen was voor het opheffen van de schorsing. De deputaten appèlzaken kwamen tot de conclusie dat het besluit tot opheffen van de schorsing ten onrechte was genomen. Vervolgens werd Y door de classis uit het ambt ontzet. Sommige gemeenteleden reageerden opgelucht: “Als hij afgezet is, dan heb je het gevoel dat er inderdaad recht geschied is. (…) Zeker voor de slachtoffers, want die hebben te lijden gehad, hoor.”

Met deze beide verhalen zitten we midden in de discussie over een eventuele tweede kans voor predikanten. In gemeente A stuitte de ontzetting uit het ambt van X op veel weerstand. Argumenten die gehanteerd werden door medestanders van X, hadden te maken met de vraag naar de ernst van de overtreding in relatie tot de zwaarte van de tuchtmaatregel. Ook verwezen de medestanders naar zijn lange staat van dienst. Tot slot werd er een beroep gedaan op religieuze argumenten door te attenderen op het vergevingsgezinde karakter van het geloof. De andere partij wees op het bredere disfunctioneren van X, de beschadiging van het ambt, het risico van recidive en de gevolgen van het misbruik door de slachtoffers.

In gemeente B was juist de opheffing van de schorsing reden voor onrust en verzet. De kerkenraad en gemeenteleden van B hadden moeite met het ontbreken van zichtbaar berouw en schulderkenning door Y. Ook ervoeren zij deze opheffing van de schorsing als onrecht voor de slachtoffers. Degenen die voor opheffing van de schorsing waren, wezen op de mogelijkheid tot verandering bij Y, verzachtende omstandigheden gedurende het misbruik en op een onzorgvuldige kerkrechtelijke procedure.

Thema’s voor de discussie

Om tot een afweging te komen of een predikant in aanmerking zou mogen komen voor een tijdelijke tuchtmaatregel, dient over een aantal zaken een standpunt te worden ingenomen.

Overwegingen[6]:

  1. Wanneer wordt een tuchtwaardige handeling gezien als te ernstig voor een terugkeer in het ambt? Het gaat hierbij om morele afwegingen.
  2. In welke mate wordt door de tuchtwaardige handeling het vertrouwen in de kerk of in de persoon ondermijnd? Het gaat hierbij om de geloofwaardigheid van het ambt.
  3. In welke mate zijn de (directe en indirecte) slachtoffers beschadigd? Relationele overwegingen.
  4. In welke mate gelden inzicht en berouw als voorwaarden voor een 2de kans?
  5. Soms is een terugkeer niet mogelijk vanwege de pathologie van de pleger. Psychologische afwegingen.

De eerste overweging heeft maken met morele afwegingen. Wanneer een predikant zich schuldig heeft gemaakt aan seksueel misbruik, is het de vraag of het verschil aan welke grensoverschrijdingen hij/zij zich schuldig heeft gemaakt. In deze discussie is de definitie van seksueel misbruik wezenlijk. Door seksuele of romantische grensoverschrijdingen zo te benoemen wordt de nadruk gelegd op het machtsaspect dat meekomt in de rol van ambtsdrager. Daarnaast maakt de keuze voor het begrip ‘seksueel misbruik’ ook duidelijk dat de professionaliteit van de ambtsdrager in het geding is. Dit gezegd hebbend, is het goed om op te merken dat er gradaties zijn in grensoverschrijdingen. De vraag is hoe deze gradaties gewaardeerd moeten worden.  De tweede overweging heeft betrekking op het ambt van de predikant. In hoeverre heeft door het seksueel misbruik, door de manier waarop dit vorm is gegeven in manipulatie en machtsuitoefening, het ambt en de predikant zijn/haar geloofwaardigheid verloren? Is het misbruik doorgedrongen in het hele functioneren van de predikant? In sommige procedures is het herstel van de geloofwaardigheid van het ambt een reden om ontzetting uit het ambt als tuchtmaatregel voor te stellen. Beide overwegingen hebben betrekking op de inhoudelijke dimensie van het proces.

De derde overweging heeft te maken met de schade die is berokkend. In hoeverre en op welke wijze wordt deze schade meegewogen in het oordeel over de predikant? In eerste instantie gaat het over de gekwetstheid van het slachtoffer en anderen ten gevolge van het seksueel misbruik. Het blijkt echter dat het opnieuw ambtelijk functioneren na het aflopen van een schorsingstermijn soms op veel verzet stuit van slachtoffers en gemeenteleden. Een belangrijke vraag is of deze (mogelijke) reactie een rol mag spelen in de keuze voor een tuchtmaatregel. De vierde overweging focust op de predikant. Maakt het verschil voor de beoordeling of een predikant inzicht en berouw laat zien? Hoe werkt dit dan vervolgens door in de beoordeling? Tot slot is het van belang om mee te wegen in hoeverre er sprake is van psychiatrische aandoeningen, ook vanwege de vraag in hoeverre herstel mogelijk is. Wanneer het zo is dat het psychologisch functioneren van de predikant beoordeeld dient te worden, houdt dit logischerwijs is dat een psychologische test in de procedure dient te worden opgenomen.  Deze overwegingen hebben betrekking op de relationele dimensie van het proces.

Wanneer een tweede kans wordt overwogen:

  1. Goed onderzoek van alle feiten. Zonder gedegen onderzoek kan geen inschatting worden gemaakt.
  2. De inschatting dient gemaakt te worden door gekwalificeerde deskundigen.
  3. Toegang tot alle relevante informatie.
  4. Een evaluatie van risicofactoren bij terugkeer in het ambt.
  5. Begeleiding noodzakelijk: supervisie, therapie moet worden gecontroleerd. De werkwijze moet worden vastgelegd in protocollen.
  6. Een evaluatie op vastgestelde momenten door een onafhankelijke deskundige.

Het verdient aanbeveling om tot een taxatie te komen van mogelijke grensoverschrijdingen. Het mag duidelijk zijn dat er verschil is in de ernst van grensoverschrijdingen. Seksistische taal is van een andere orde dan seks onder dwang. Ook kan het uitmaken of een grensoverschrijding eenmalig is en of er sprake is van meerdere slachtoffers. Met andere woorden: er kan sprake zijn van graduele zwaarte. Alle genoemde voorbeelden vallen onder de definitie van seksueel misbruik, en zijn dus tuchtwaardig. Dat wil echter niet zeggen dat alle grensoverschrijdingen op dezelfde manier beoordeeld dienen te worden. Wel is het belangrijk om op een zorgvuldige manier zorg te dragen voor de veiligheid van de direct betrokken en van de gemeenten.

Vanuit de beleidsmatige dimensie komt naar voren dat het van belang is om een visie te ontwikkelen op grond waarvan overgegaan wordt tot bepaalde tuchtmaatregelen. Om tot een gegronde afweging te kunnen komen, ligt het voor de hand dat de beoordelende instantie toegang heeft tot alle relevante feiten. Het is echter ook van belang dat gekwalificeerde deskundigen deze feiten beoordelen. In de kerkorde is vastgelegd dat deze deskundigen aan het College van Opzicht moeten worden toegevoegd wanneer er sprake is van machtsmisbruik. Het verdient aanbeveling dat deze deskundigen ook bij twijfel te hulp worden geroepen. Wanneer overgegaan wordt tot een schorsing onder voorwaarden, dan is het geen sinecure om afspraken te maken over wie verantwoordelijk is voor de controle van deze voorwaarden.

Tot slot

Het mag duidelijk zijn dat seksueel misbruik door een predikant diepe sporen nalaat bij de direct betrokkenen als bij gemeenteleden. De manier waarop onderzoek wordt verricht, en hoe tot eventuele tuchtmaatregelen wordt besloten, kunnen het proces in de gemeente beïnvloeden. Dat betekent dat niet alleen een zorgvuldige afweging noodzakelijk is, maar dat deze afweging ook kenbaar wordt gemaakt. Duidelijkheid en openheid komt de zorgvuldigheid ten goede. Het is van belang dat wolven in schaapskleren worden ontmaskerd, zodat gemeenten schuilplaatsen kunnen zijn. Zorgvuldige afwegingen zijn echter ook van belang om te voorkomen dat beschuldigde predikanten verworden tot zondebokken.


[1] E.S. Zinner & M.B. Williams ‘Summary and incorporation: a reference frame for community recovery and restoration.’ In: E.S. Zinner & M.B. Williams, When a community weeps: case study in group survivorship. Brunner/ Mazel: Philadelphia, Penn. 1999.

[2] Dit protocol is te bestellen op het Landelijk Dienstencentrum te Utrecht of te downloaden op www.smpr.nl.

[3] A.L. Veerman Ontredderd. Het proces in de kerkenraad als de predikant seksueel misbruik heeft gepleegd. Boekencentrum: Zoetermeer 2005.

[4] J.L. Herman Trauma en herstel. De gevolgen van geweld – van mishandeling thuis tot politiek geweld. Amsterdam: Wereldbibliotheek 1996.

[5] Deze voorbeelden komen uit mijn proefschrift.

[6] G. R. Schoener ‘Boundary violations by professionals. Intervention and prevention.’ Paper for a pre-conference workshop. Zie ook: www.walkin.org

Advertenties

Eén reactie to “Wolf of zondebok?”

Trackbacks/Pingbacks

  1. Wat moeten we met die daderpredikanten? | Alexander Veerman - 23 augustus 2015

    […] Het betekent dat er dus ook oog moet zijn voor de bestrafte dader die weer terug komt in de samenleving. Die terugkeer zal goed begeleid dienen te worden, waarbij er ten volle rekening wordt gehouden met de slachtoffers die de dader heeft gemaakt. Bagatelliseren en vergoelijken dient de aandacht voor misbruik niet. Voor overwegingen rond een mogelijke terugkeer van de dader zie: Wolf of zondebok […]

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: