Archief | pastoraat RSS feed for this section

Elke geur vertelt een verhaal. Gedachten tijdens het uitlaten van de hond

9 mei

Vandaag is weer zo’n dag. Ik maak aanstalten om onze hond Flower uit te gaan laten. Zonnestralen vallen vrolijk door de ramen en de kastanjebloesem dwarrelt door de straat. Hup, schoenen aan, jas aan. Riem voor de hond – en gaan. Maar met het dichttrekken van de deur vallen de eerste regendruppels al. We laten ons natuurlijk niet ontmoedigen en stappen stevig door. Als we de hoek omslaan, wakkert de wind aan en valt de regen met bakken uit de lucht. Van die Noachregen.

Ondanks de regen neemt Flower bij haar perkje rustig de tijd om de laatste nieuwtjes uit de buurt tot haar te nemen. Zo’n grasveldje lijkt een beetje op twitter en facebook. Rustig snuffelt Flower alle geuren op en wordt zo bijgeroken over het eten, gezondheid en relatieproblemen van de honden uit de buurt.

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

In de regen trof me dat. Elke geur is interessant. Geen oordeel, geen onuitgesproken verwachting. Gewoon ruiken en het verhaal ontdekken en laten staan. Zoals Flower ook volstrekt onbevooroordeeld even in mijn schoenen kan ruiken – hoe gaat het met je?

Geen paniek – ik ga niet pleiten voor snuffelpastoraat. Maar ik zou soms wel iets meer van Flower willen hebben. Luisteren zonder oordeel. De tijd nemen om alles goed op te nemen, ook als de omstandigheden stormachtig zijn. Onbevooroordeeld, geïnteresseerd – luisteren met aandacht. Want elk levensverhaal is het waard gehoord te worden.

… en een tijd om te sterven

8 apr

We kijken elkaar aan. Haar diepliggende ogen kijken me vriendelijk en tegelijkertijd droevig aan. De lijnen in haar gezicht vertellen een deel van haar verhaal. De groeven rond haar mond van teleurstelling en verdriet, de kraaienpootjes bij haar ogen van vreugde en dankbaarheid. Ze zucht. ‘Wat moet ik nu, dominee? Ik kom de laatste tijd vaker in het ziekenhuis dan in de kerk.’  Ze is al op leeftijd. Ondanks haar afnemende gezondheid is ze altijd optimistisch en monter. Een vrouw met levenswijsheid die het leven heeft leren verstaan. Levenskunst. Zoeken naar mogelijkheden. Vrede sluiten met beperkingen en verlies. Dankbaarheid vóórleven.

Mag ik ook gewoon sterven?

Nu heeft ze te horen gekregen dat ze niet lang meer te leven heeft. De artsen hebben haar verteld dat er een zware operatie mogelijk is, die mogelijk haar leven kan verlengen. Maar zelf aarzelt ze. Ze houdt vol overgave van het leven, van haar familie en vrienden. Tegelijkertijd is ze bezorgd hoe ze uit de operatie zal komen. En ze vraagt zich af  ‘mag ik ook gewoon sterven?’

(Foto via google, vrouw uit Chichicastenango, Guatemala)

(Foto via google, vrouw uit Chichicastenango, Guatemala)

In de afgelopen jaren ben ik geregeld in gesprek geraakt met mensen die voor dergelijke moeilijke keuzes stonden. Mijn  gesprekspartners waren broze mensen geworden. Soms hadden ze een hoge leeftijd bereikt, soms waren ze nog jong. Wat zij gemeenschappelijk hadden, was dat zij leefden op de rand van eeuwigheid. Terugkerende kanker met al die moeilijke emoties, en met die onvermijdelijke vraag: moet ik die operatie aangaan? Moet ik opnieuw een chemokuur ondergaan? Of is het genoeg zo, en mag ik mij voorbereiden op de naderende dood?

Ontwarren van emoties

In deze gesprekken is het belangrijk om de emoties te ontwarren. De kracht van de liefde, de verbondenheid die je kunt voelen met de mensen om je heen. Het verlangen om te leven – we zijn geschapen om lief te hebben en om te leven. En daarnaast het verlangen om rust te vinden. Om los te mogen laten en zich voor te bereiden op wat komt. Soms jagen medische mogelijkheden ons op: behandelingen en operaties kosten energie en kracht. De behandelingen zijn soms zo gericht op verlengen van leven, dat het geen ruimte laat voor onze sterfelijkheid en ons afscheid. Het is belangrijk om niet alleen na te denken over waardig leven, maar ook over waardig sterven.

Overwogen kiezen

De uiteindelijke keuze is altijd aan de gesprekspartner zelf. Een foute keuze bestaat niet. Wat wel schadelijk kan zijn is het ingaan van een traject, terwijl men niet de ruimte heeft ervaren om alles te overwegen. Dat gaat uiteindelijk ten koste van de draagkracht.

Voor alles wat gebeurt is er een uur,
een tijd voor alles wat er is onder de hemel.
Er is een tijd om te baren
en een tijd om te sterven.

In Prediker 3 lezen we dat er een tijd is om te sterven. Het valt niet mee om het uit te houden en stil te staan bij de gedachte aan onze sterfelijkheid. In die zin vind ik het van grote waarde dat we in ons dorp van de kerk naar de begraafplaats lopen, dwars door het dagelijks leven heen. Het dagelijks leven dat stil staat en wacht, tot de stoet gepasseerd is.

Soms staan we voor moeilijke keuzes. Ondragelijk soms. Maar ook dan mogen we op weg gaan met het licht van Pasen in onze rug.

Waar hebben mensen die slachtoffer zijn geworden van seksueel geweld behoefte aan – deel II

8 feb

(Dit artikel, dat is verschenen in Praktische Theologie 2000/3, heb ik in twee delen geplaatst. Het eerste deel vind je hier. )

Vijf fundamentele pastorale behoeften

1. Veiligheid

In het verhaal van Els valt op hoe angstig zij is. Deze angst komt voort uit een voortdurend aanwezig gevoel van onveiligheid. De onveiligheid in hun leven heeft betrekking op verschillende dimensies van mens-zijn. In de eerste plaats is de lichamelijke integriteit en veiligheid aangetast door het geweld. Het slachtoffer is door het geweld de controle over haar / zijn lichaam kwijt. De onmacht die tijdens het misbruik wordt ervaren, blijft het slachtoffer achtervolgen, ook wanneer de misbruikende relaties beëindigd zijn. Door de ervaren onmacht en door het verlies van controle over de eigen lichamelijke integriteit, ontstaat een blijvend gevoel van angst dat voortkomt uit het gevoel van onveiligheid.

In de tweede plaats hebben slachtoffers het vertrouwen in de medemens verloren. In 80% van de gevallen is de dader een bekende van het slachtoffer, iemand die door (de ouders/verzorgers van) het slachtoffer wordt vertrouwd. De gevolgen van dit verraden vertrouwen kunnen ernstig zijn. Ook kan het zijn dat het slachtoffer nooit de kans heeft gehad om vertrouwen te krijgen in anderen, omdat zij/hij al vroeg in de kindertijd te maken heeft gehad met seksueel geweld. De onmogelijkheid om anderen te vertrouwen levert een voortdurende dreiging op. Angst is de emotie die hoort bij het gevoel van onveiligheid.

In de derde plaats kan het seksueel geweld gevolgen hebben voor het geloofsleven. De interpretatie en het gebruik van religieuze teksten kunnen ten dienste hebben gestaan van de legitimatie van het geweld. Het misbruik van de Bijbel en de traditie laat overigens een ongemakkelijke kant zien. Sommige Bijbelgedeelten weerspiegelen immers de culturele waarden en normen van een tijd waarin door patriarchale opvattingen een klimaat heerst waarbinnen zwakkeren en machtelozen gemakkelijk tot slachtoffer kunnen worden gemaakt.

“Ik was bang dat ik gestraft zou worden, dat ik in de hel zou komen. Dat werd me ook heel vaak verteld. Altijd dat bestraffende vingertje. Zo zag ik God. Denk erom dat je niet je mond opentrekt, want dat mag niet. Daar zorgde mijn vader ook wel voor: want God straft. En: eer je vader en je moeder.” (Dorcas)

 “God was ook heel eng. Hij heeft ook alles gezien. Dus ik heb alles verkeerd gedaan. Ik dacht toen niet: mijn vader heeft het verkeerd gedaan. Mijn moeder heeft het verkeerd gedaan.”(Rianne)

 “Dat God alles ziet, en dat God dus ook verkeerde dingen straft. Dus al zag je vader of moeder het niet, dan zag God het wel. En dat was geen aardig iemand. Hij gaf ook nooit complimenten. Die kreeg ik trouwens ook nooit van mijn ouders – in feite was God een verlengstuk van mijn ouders. Mijn vader met name. Want als mijn vader dingen zag die verkeerd waren, dan werd ik gestraft. Nou, als God dingen zag die verkeerd waren, dan werd ik ook gestraft. “(Mieke)

Het gevoel van onveiligheid lijkt sterk bepalend, waardoor de behoefte aan veiligheid groot is. Wanneer een pastor een pastorale relatie aangaat met een beschadigd en bedreigd mens, zal (het werken aan) het herstellen van veiligheid prioriteit hebben. Het gevoel van onveiligheid komt voort uit de ervaring en de dreiging dat mensen onbetrouwbaar zijn. Het terugwinnen van het vermogen om te vertrouwen is uiteindelijk het middel om veiligheid te kunnen ervaren. De pastor zal in zijn/haar afspraken betrouwbaar moeten zijn: zeg niets toe wat je niet waar kunt maken, en maak waar wat je toezegt. Daarnaast zal het gesprek plaats dienen te vinden in een ruimte waarin dreiging afwezig is. Verheule (1997 Angst en bevrijding. p.372-274) spreekt van ‘pastoraat als ontmoeting zonder terreur’, of: ‘pastoraat als terreurvrije ruimte. ‘Hij omschrijft als een begrensde ruimte, waarbinnen veel mogelijk is. De pastor beschermt de pastorant(e) en is verantwoordelijk voor het bewaken van de grenzen van haar/hemzelf alsmede de grenzen van de gesprekpartner.

Een terreurvrije ruimte betekent ook dat de pastor werkelijke aandacht geeft aan de pastorante, waardoor het gesprek niet verstrikt zal raken in verborgen verwachtingen of vrijblijvendheid. Deze aandacht houdt in dat de pastor zowel naast als tegenover de pastorant(e) wil staan. Deze terreurvrije ruimte betreft al het handelen van de pastor: het gaat zowel over het pastorale gesprek als over de invulling van de eredienst.

geborgenheid

2. Ruimte

In het verhaal van Els werd zichtbaar haar herstel en  groeien samenhing met het krijgen van ruimte. Het was voor haar van wezenlijk belang dat zij ‘toestemming’ van haar predikant kreeg om de ruimte van (on)geloof te ontdekken. De behoefte aan ruimte (waardoor de autonomie van het slachtoffer een plek kan krijgen) is afgeleid van de ervaringen van afhankelijkheid aan autoriteiten en meer-machtigen. De afhankelijkheid en machteloosheid werd vooral binnen het gezin beleefd, waar de verzorgers absolute macht konden uitoefenen.

Gedeeltelijk werd deze uiterste afhankelijkheid ook op het religieuze vlak beleefd. Met andere woorden: binnen de religie is het zeer goed denkbaar dat slachtoffers zich opnieuw uitleveren aan een ander of Ander. Hierdoor worden zij in hun passiviteit gestimuleerd en bevestigd in hun slachtofferrol.

‘Kinderen zijn afhankelijk van hun ouders. Die moet je kunnen vertrouwen. Maar seksueel misbruik heeft alles te maken met niets waard zijn, maar doén met kinderen. Heel erg afhankelijk zijn, overgeleverd zijn, daar heeft het mee te maken. En er niets tegenin kunnen brengen. Dus als je het hebt over overgave, of dat nu aan een vriend of vriendin is, of aan God, dan geeft dat problemen.’ (Yvonne)

Een slachtoffer was tijdens de traumatische ervaring machteloos. Deze ervaring van onmacht kan in het verdere leven van het slachtoffer een beklemmende en belemmerende werking hebben. In een pastoraal contact zal de pastor voortdurend erop gericht moeten zijn om de autonomie van de pastorant(e) te bevestigen, te ondersteunen en op te bouwen. Ook wanneer de gesprekken gaan over zelfdoding, is het van belang om te blijven geloven in de autonomie van de ander.

De behoefte aan ruimte betekent dat het slachtoffer op zoek gaat naar haar/zijn eigen interpretatie van betekenisverlening of eventueel van geloof – de ruimte om dit zelf te mogen onderzoeken en te bepalen ondersteunt in belangrijke mate de autonomie.

3. Erkenning

De vraag of haar herinneringen op waarheid berustten, heeft Els voortdurend beziggehouden. Haar hele bestaan lijkt gecentreerd rond de vraag: geloof je mij? De behoefte aan erkenning is bij slachtoffers groot, omdat hun bestaan van deze behoefte lijkt af te hangen. Serieus genomen worden, geloofwaardig geacht worden, helpt om het verleden onder ogen te zien en om aan herstel en eigenwaarde te werken.

Soms kan er sprake zijn van een dilemma, omdat een pastor niet weet of het waar is wat een pastorant(e) vertelt. Dit kan samenhangen met een inconsistent verhaal van het slachtoffer, een tegenovergesteld verhaal van de vermeende dader, of ongeloof van de pastor. Dat een verhaal van een slachtoffer inconsistenties kan bevatten, is niet verwonderlijk. Door dissociatie en verdringing worden ervaringen eerst door triggers en nachtmerries teruggegeven. Het toe-eigenen van het levensverhaal is vaak een lange weg.

De erkenning van het slachtoffer van seksueel geweld heeft .een politieke dimensie. Wanneer een pastor oog heeft voor de grote omvang van seksueel geweld en daarin de maatschappelijke en politieke structuren herkent die dit mogelijk maken, herkent en benoemt, kan dit een slachtoffer helpen haar eigen verhaal als betrouwbaar te ervaren. Dat betekent dat een pastor ook kritisch is op de eigen traditie, oog heeft voor gendervraagstukken en machtsverhoudingen.

Een logische consequentie van het tegemoet komen aan de behoefte aan erkenning is dat nadrukkelijk gekozen wordt voor het slachtoffer en de daden van de pleger als onrecht aan de orde worden gesteld. Erkenning vraagt dus om geloof te hechten aan het slachtoffer en te streven naar gerechtigheid.

‘Want als je je mond dichthoudt en er niks over zegt, is er toch ook niks aan de hand. Dan zijn wij één grote gelukkige familie. Terwijl dat één grote leugen is.’ (Yvonne)

De nadruk op gerechtigheid lijkt op gespannen voet te staan met het spreken over vergeving. Voor velen ligt juist bij vergeving het zwaartepunt van de christelijke traditie. De vraag dient zich aan wie er belang heeft bij vergeving. Wanneer er in een situatie van seksueel geweld gesproken wordt over vergeving, is dit eerder de wens van de omgeving of van de dader dan van het slachtoffer. In dat geval heeft het er alle schijn van dat alleen de dader iets te winnen heeft bij vergeving.

Vergeving kan echter ook beschreven worden van het slachtoffer en betrokken worden  op het genezingsproces. Vergeving is dan het loslaten van de voortdurende aanwezigheid van het trauma (M.M. Fortune, 1995, The transformation of suffering: a biblical and theological perspective. In: Adam and Fortune Violence against women and children) De voortdurende en directe herinneringen aan het geweld houden de angst in stand en beperken de mogelijkheden. Feitelijk gaat het seksueel geweld door zolang de herinneringen aan het misbruik de overhand hebben. Door haat en bitterheid blijft het slachtoffer verbonden met de dader. Vergeving kan een manier zijn om afstand te nemen van de passieve slachtofferrol, zodat het slachtoffer verder kan met haar leven. Vergeving is een bevrijdende actie van en voor het slachtoffer, waardoor zij/hij de autonomie herstelt. Het is voor een slachtoffer van belang om het trauma los te kunnen laten en de verbondenheid met de dader (haat en bitterheid creëert een ongewilde verbondenheid) door te snijden. Vergeving kan hiervoor een middel zijn, maar is zeker niet de enige mogelijkheid. Soms is het slachtoffer zo beschadigd en gekwetst dat spreken over vergeving altijd een brug te ver zal blijken.

‘Ja, ik wil wel vergeven, maar ik kan het eenvoudig niet. Ik bedoel: ik herbeleef nog regelmatig die dingen die toen met mij gebeurd zijn. En dan beleef je dat gewoon lichamelijk. Als ik dat beleef – ja, sorry, hoor, maar dan ik niet – … dan ben ik niet vergevingsgezind op dat moment. Ik kan dan niet vergeven.’ (Ans) 

Vergeving is niet gelijk aan vergeten. Vergeving gaat samen op met gerechtigheid. Vergeving betekent erkenning van het aangedane leed, daar heeft het slachtoffer recht op. Tegelijkertijd betekent het dat het slachtoffer het recht heeft om af te zien van wraak of vergelding. (R.R. Ganzevoort, 1999, Verzoening na conflicten). Omdat voor gerechtigheid, vergeving en genezing het zwijgen doorbroken dient te worden, is dit niet alleen de verantwoordelijkheid van het slachtoffer of de dader, maar ook van de omstanders.

4. Warmte

Els leidde als kind een teruggetrokken en geïsoleerd bestaan. Door het geschonden en verraden vertrouwen was het voor haar lange tijd niet mogelijk om geborgenheid of troost te vinden of te ontvangen, terwijl ze dit juist zo hard nodig had. Veel slachtoffers ervaren eenzaamheid. Wanneer een kerkelijke gemeente als een betrokken gemeenschap functioneert, kan zij een belangrijke rol spelen op verschillende momenten in het proces van herstel van slachtoffers.

‘Ik denk toch dat ik een stukje steun, een stukje erkenning zocht. Ergens bij willen horen, of kunnen horen. Want op dat moment had ik gewoon bijna niemand. Daarom ging ik naar de kerk. Maar niemand zocht contact met mij. Toen voelde ik me dus veel eenzamer dan dat ik in mijn eentje was. Ik kwam gewoon steeds heel teleurgesteld thuis. En dan vanuit de kerk – dat zijn toch mensen die hart hebben voor de ander, die meer open staan. Tenminste dat denk je dan. En dat is gewoon niet gebeurd.’(Mieke)

Het isolement van een slachtoffer is het gevolg van verschillende processen. In de eerste plaats kan het isolement een gevolg zijn van loyaliteit aan de dader. Vaak is de dader een bekende van het slachtoffer, en is er sprake van een vertrouwensband. De prijs voor het verbreken van die vertrouwensrelatie is hoog: verlies van contacten, een onzekere toekomst. In de tweede plaats hebben omstanders (zowel in de kerk als in de samenleving) er belang bij om het verhaal niet te horen. Wanneer verhalen over seksueel geweld waar blijken te zijn, wordt de illusie van een veilige gemeenschap doorgeprikt. In de derde plaats is het isolement een gevolg van het overheersende wantrouwen van slachtoffers in medemensen. Door het geschonden en verraden vertrouwen door  mensen die dichtbij stonden, kan wantrouwen een tweede natuur worden. Het belangrijkste instrument om het isolement in stand te houden is het zwijgen: van de omstanders, de plegers en de slachtoffers.

Het doorbreken van het isolement en het bieden van geborgenheid (gezien en gehoord worden, er mogen zijn, troost ervaren) komen tegemoet aan de behoefte aan warmte. Hierin kan een kerkelijke gemeente een belangrijk verschil maken door slachtoffers met hun verhaal en hun pijn in haar midden op te nemen. De warmte van nabijheid en het vuur van verzet tegen onrecht kunnen de koude uit een eenzaam hart verdrijven. Het is belangrijk dat slachtoffers een taal aangereikt krijgen, waarin z/hij uitdrukking kan geven aan de ervaringen van geweld.

5. Heelheid

Het seksueel geweld heeft bij Els diepe sporen nagelaten. Ook na jaren van intensieve therapie weet zij dat bepaalde gevolgen altijd met haar mee zullen gaan. Toch pakt zij de draad van haar leven weer op, met haar man en kinderen. Het verlangen naar totale genezing, naar heelheid, zal altijd aanwezig zijn. De behoefte aan heelheid is dus ontleend aan de ervaringen van gebrokenheid . Doordat iemand de lichamelijke integriteit van een ander geweld aan doet, wordt niet alleen het lichaam, maar ook de ziel van een mens beschadigd. De gevolgen zijn dan ook terug te vinden op het lichamelijke, psychische, sociale en religieuze vlak.

‘Het misbruik heeft mijn eigenwaarde totaal verkreukeld. Ik was niks en werken kon ik niet. Eigenlijk kon ik niks. Het heeft jaren geduurd. En er over praten kon ook niet, want dan zou ik kapot gemaakt worden. Hij heeft mijn leven gewoon verknoeid. Het heeft mijn leven gewoon verknoeid.’ (Ans)

Om tegemoet te kunnen komen aan de behoefte aan heelheid, is het van belang om niet stil te blijven staan bij het slachtofferschap, maar de pastorale ontmoeting te plaatsen in het perspectief van menswording. H.Luther (Religion und Alltag. Bausteine zu einer Theologie des Subjekts, 1994, p. 170) spreekt in dit verband van een ‘fragmentarische identiteit’. Met dit begrip doelt hij op het verwijzende karakter van identiteit. Fragmenten ontlenen hun kracht aan de verwijzing naar heelheid en eenheid.

Het serieus nemen van de behoefte aan heelheid houdt in dat ook de gebrokenheid een plaats wordt gegeven. De fragmentarische identiteit biedt ruimte voor rouw, hoop en liefde. Dit in tegenstelling tot een identiteitsconcept dat uitgaat van een afgeronde of volle identiteit. De ontwikkeling van identiteit gaat immers niet alleen gepaard met groei en winst, maar ook met breuken en verlies. Fragmenten bieden ruimte aan rouw en verdriet. Vooral in crises wordt dit gegeven ervaren. Daarnaast is er in elk stadium van de identiteitsontwikkeling sprake van ‘steigers van de toekomst’. Er is het besef dat het proces nog niet af is. Tegenover verstarring staat het verlangen naar verdere groei. In die zin biedt het spreken over fragmenten ruimte aan hoop. Tot slot is er in elk stadium van de ontwikkeling van de eigen identiteit een dynamische wisselwerking met de ander. Door elke ontmoeting met de ander wordt de eigen identiteit opnieuw uitgedaagd vanwege de ervaring van verschil met die ander. Met dit gegeven biedt een fragmentarische identiteit ruimte aan liefde.

In deze betekenis transcendeert ‘fragment’ dus op drie vlakken: naar het verleden, naar de toekomst en naar de ander. Naast het transcenderende aspect is ook in het verlangen naar heelheid zelf de religieuze dimensie van identiteit gelegen.

Eén geheel

Deze vijf behoeften vormen samen één geheel. Elk van de behoeften veronderstelt de andere behoeften. Een kerkelijke gemeente die de ervaringen van geweld van gekwetste mensen niet accepteert, kan niet voldoen aan de behoefte aan warmte. Als er niet voldaan wordt aan de behoefte aan veiligheid, kan niet gewerkt worden aan de behoefte aan heelheid. Met andere woorden: de behoeften vormen een ‘totaalpakket’. Als één van de behoeften niet wordt gehoord, kan ook niet optimaal voldaan worden aan de andere behoeften.

Tegelijkertijd zijn het behoeften die binnen onze mogelijkheden liggen: de mogelijkheden van de kerkelijke gemeente en van ons als medestanders. Het vraagt om een open houding en het uithouden bij de verhalen die gekwetste mensen met zich meedragen. Veiligheid, erkenning, ruimte, warmte en heelheid. Als de gekwetste medemens er mag zijn met haar/zijn verhaal, is dat een wereld van verschil – een opening naar nieuwe ervaringen.

Waar hebben mensen die slachtoffer zijn geworden van seksueel geweld behoefte aan? – Deel I

6 jan

(Dit artikel is verschenen in Praktische Theologie 2000/3)

‘Medemenselijkheid. Ik vraag geeneens veel, alleen medemenselijkheid.’ Dit antwoordde een vrouw die in haar jeugd slachtoffer was geworden van seksueel geweld op de vraag wat zij van een pastor verwacht. Wanneer het gaat om seksueel geweld en pastoraat, wordt een gevoelige lacune zichtbaar. Het wordt steeds duidelijker dat seksueel geweld een zeer omvangrijk probleem is. Desondanks blijken pastores niet of nauwelijks voorbereid op het adequaat reageren op seksueel geweld. Een pastor krijgt tijdens de opleiding weinig handvatten aangereikt om slachtoffers van seksueel geweld te herkennen en te begeleiden.[i]

omzien-naar-elkaar

Het doel van dit artikel is om de pastorale behoeften te schetsen van mensen die slachtoffer zijn geworden van seksueel geweld. Het artikel begint met het levensverhaal van Els. Daarin worden verbanden en gevolgen van seksueel geweld pijnlijk zichtbaar. Na de beschrijving van mijn onderzoek[ii] worden vijf pastorale behoeften geformuleerd.

Het verhaal van Els

Een meelevend gemeentelid

Els is een getrouwde vrouw van 40 jaar. Ze heeft twee kinderen en is als vrijwilligster werkzaam in de hulpverlening. Zij is zorgzaam en staat altijd klaar voor familie, vrienden en mensen uit de buurt. Ook in de kerk is Els actief. De predikant en de kerkenraad doen nooit tevergeefs een beroep op haar. Met enthousiasme en plezier leidt zij jeugdclubs, regelt allerlei zaken voor de kerk en bezoekt trouw de kerkdiensten. Iedereen mag haar graag.

Ondertussen is er echter een groot verschil tussen hoe de mensen Els beleven en hoe zij zichzelf ziet. Zij is erg onzeker en voortdurend bang om te worden afgewezen. Ze heeft nooit het gevoel dat ze iets goed doet of dat ze genoeg doet. Daarnaast heeft Els haar hele leven al last van lichamelijke klachten, waar de huisarts geen raad mee weet. Ook de twee zwangerschappen verliepen moeizaam. Het wordt elke dag moeilijker om de binnen- en buitenkant bij elkaar te houden. Hierdoor krijgt zij psychische klachten: ze is erg gespannen en lijdt aan slapeloosheid en depressiviteit. Ook heeft zij sinds haar jeugd regelmatig last van afschuwelijke nachtmerries en soms lijkt het alsof ze in het verleden leeft. Op die momenten beleeft zij de angstige gebeurtenissen uit haar jeugd opnieuw. Wanneer ze weer terug is in de realiteit, herinnert ze zich weinig meer van vroeger, alleen blijft de enorme angst en dreiging haar bij. Ze weet nog wel vaag dat haar vader dingen deed die ze naar vond, maar deze herinneringen wil ze achter zich laten. Deze periode beschrijft els ‘het gevoel een beetje boven de aarde gezweefd te hebben’.

Wanneer Els via haar huisarts bij een therapeute in behandeling gaat, is de confrontatie met haar verleden onvermijdelijk. Ook deze fase wordt getekend door angst. Het doorbreken van het zwijgen maakt de herinneringen aan de dreigementen weer levendig. Na zware jaren met intensieve therapie is er een duidelijke kentering zichtbaar, alhoewel ze zichzelf nog niet als stabiel ervaart. ‘Ik denk meest, dat ik er mag zijn zoals ik ben. Met mijn hele verleden; wat ik mij inmiddels ook meer eigen heb gemaakt, zodat ik nu ook kan zeggen: ik ben Els, en ik ben een misbruikt mens. Niet dat ik ermee te koop hoef te lopen, maar wel dat het iets is dat bij mij hoort. Ik wilde vroeger altijd dat het weg was en dat het over ging. En ik weet nu dat het nooit over gaat.’

Het seksueel geweld en de gevolgen

In die jaren wordt duidelijk wat er zich in haar verleden heeft afgespeeld. Els is geboren als jongste in een gezin van zes kinderen. Els omschrijft het gezin waarin ze is opgegroeid, als gesloten. In haar jeugd had ze dan ook vrijwel geen vriendinnen. De sfeer werd mede bepaald door ruzies en geweld. Els ervoer haar vader als autoritair. ‘Ik denk dat je hem wel een tiran kunt noemen, iemand die op zichzelf gericht was. “Een kind is er voor de ouders”, zei mijn vader altijd.’ Naar buiten toe kwam hij echter heel anders over: ‘hij had ook iets innemends over zich, hij maakte gemakkelijk contact met veel mensen.’ Els groeide op als een angstig, teruggetrokken kind. Ze was in zichzelf gekeerd en ‘bang voor de wereld buiten.’

Geloofsleven

In het leven van Els spelen het geloof en de kerk een belangrijke en ambivalente rol. Aan de ene kant lijken de religieuze context en het seksueel geweld onlosmakelijk met elkaar verbonden. ‘Mijn vader zei altijd dat ik precies moest wat hij zei, omdat God mij dan niet zou straffen. Hij heeft God als een soort beloner en straffer van goede en kwade dingen afgeschilderd. Door dat beeldloop ik nog altijd tegen veel problemen op.’

Het geloof stond voor Els vrijwel geheel in het teken van gehoorzaamheid aan haar ouders en van de acceptatie van het lijden. Ook probeerde zij met God in het reine te komen. ‘Ik wilde eigenlijk altijd in een goed blaadje komen te staan. Meestal ben je een wit boek, en dar komen zwarte blaadjes in. Maar bij mij was het boek helemaal zwart en probeerde ik witte blaadjes te halen.’

Aan de andere kant is het geloof een krachtbron geweest om te overleven. Het geloof van Els in haar kinderjaren bood haar de mogelijkheid te ontsnappen aan de angstige realiteit en gaf haar momenten van rust.

Achteraf omschrijft Els haar geloof uit haar kindertijd als ‘incestueus geloof’. ‘Ik denk dat ik het zo wel mag zeggen, want zo voel ik alles wat er in de kerk op mij af is gekomen. Ik ben daar ook ontzettend door gemanipuleerd.’ Temeer daar de beleving van God in het verlengde lag van de angst voor haar vader. ‘Voor mij had mijn vader natuurlijk behoorlijk veel macht over mij, en God is ook zo’n machtig iemand.’ Het verdere leven van Els werd bepaald door de moraal van de van huis uit meegekregen religie. Deze drukkende last, alsmede haar behoefte haar schuldgevoel ten opzichte van God goed te maken, en de angst voor de straf van God hebben lange tijd het geloofsleven van Els in sterke mate beïnvloed. ‘En zo is mijn gedrag eigenlijk door de jaren heen geworden, dat ik fanatiek gelovig werd, in de vorm van: heel veel voor anderen doen, en ook hier in de kerk, kinderclub, evangelisatiewerk, zo extreem.’

Op het moment dat Els in therapie verbanden gaat leggen tussen het seksueel geweld en haar functioneren, begint ze een zoektocht naar God. ‘Ik heb gezocht naar een stukje bevrijding uit het incestueuze geloof.’ In haar zoektocht krijgt ze steun van een predikant, die haar helpt om de dwangmatige en beklemmende elementen in haar geloofsbeleving te ontdekken en los te laten. Tegelijkertijd wordt Els door haar therapeute en door haar huisarts aangespoord om haar eigen kracht te ontdekken. Het zoeken naar en ontdekken van haar eigen kracht heeft voor Els ook een spirituele dimensie. Ze wordt Els gestimuleerd om haar autonomie te herstellen. Vanuit haar autonomie kan zij de ruimte vinden om haar leven opnieuw te verbinden met God als bron van kracht en leven.

Het onderzoek

In het verhaal van Els komt duidelijk naar voren hoe het seksueel geweld op alle terreinen van haar leven doorgewerkt. Het misbruik heeft schadelijke gevolgen voor haar psychisch, sociaal en lichamelijk functioneren, en uit zich in haar houding en gedrag. Haar vriendelijke en coöperatieve houding was uiteindelijk schadelijk voor haarzelf en maakte het moeilijk om haar signalen te ontdekken.

Het verhaal van Els staat niet op zichzelf. Op basis van verschillende onderzoeken kan gesteld worden dat ongeveer 10% van de bevolking op de een of andere manier te maken heeft gehad met seksueel geweld.[iii] Er is geen aanwijzing dat seksuele geweld binnen de kerk meer of minder voorkomt dan buiten de kerk. Lang niet alle slachtoffers zijn zo ernstig getraumatiseerd als Els. De ernst van de gevolgen van het misbruik hangt af van de duur en de aard van het misbruik, de thuissituatie, en de draagkracht van het slachtoffer. Hoewel de ernst van de gevolgen verschilt per verhaal, zijn de lijnen die in het verhaal van Els naar voren komen, ook te herkennen in de verhalen van andere slachtoffers.

Het doel van het door mij uitgevoerde onderzoek was het verkrijgen van inzicht in de pastorale behoeften van vrouwen die in hun jeugd slachtoffer zijn geworden van seksueel geweld. Er is sprake van seksueel geweld wanneer iemand gebracht wordt tot het ondergaan of uitvoeren van seksuele activiteit in woorden, gebaren of handelingen of de dreiging daartoe, terwijl zij/hij dat niet wenst of niet in staat is daarover te beslissen.[iv] Om twee redenen is gekozen voor de term ‘seksueel geweld’. Allereerst wordt deze term gebruikt als een overkoepelend begrip voor de verschillende vormen van seksueel misbruik. Daarnaast wordt met ‘geweld’ aangegeven dat de ene mens de wil van de ander niet respecteert. Geweld betekent dat per definitie de integriteit van de een door de ander wordt beschadigd, ook wanneer er geen sprake is van hardhandige dwang of overweldiging. Seksueel geweld heeft immers betrekking op ongewenste grensoverschrijdingen. Elke vorm van overmeestering met als gevolg een schadelijke grensoverschrijding is daardoor gewelddadig van aard.

Het onderzoek richt zich op pastorale behoeften van de respondenten. Het gaat om de vraag wanneer pastoraat als bevrijdend en helend wordt ervaren. Onder pastoraat wordt verstaan het aangaan van een relatie met mensen om – in het licht van het evangelie en in verbondenheid met de gemeente van Christus en haar traditie – met hen een weg te zoeken in geloofs- en levensvragen, met als doel dat zij iets ervaren van heling, ondersteuning, leiding en verzoening in hun leven.[v] Het begrip ‘behoefte’ wordt omschreven als de tot uitdrukking gebrachte ervaring van een tekort.

Om de behoeften op het spoor te komen, werden acht vrouwen geïnterviewd en werd hen verzocht een enquête in te vullen. Middels het interview en de enquête vertelden de respondenten hun levensverhaal, waarin vooral aandacht werd besteed aan ervaringen van seksueel geweld, religie en persoonlijke ontwikkeling. De interviews werden opgenomen en vervolgens uitgeschreven. De enquête bood de mogelijkheid om verschillende gegevens met elkaar te vergelijken. Vervolgens werden de acht verhalen gethematiseerd om de terugkerende patronen en thema’s te vinden. Voor de analyse golden ‘gezin van herkomst’, ‘seksueel geweld’, ‘religie’, ‘identiteit’ en ‘ervaringen met pastorale zorg’ als indelingscriteria. Elk criterium leverde steekwoorden op waaraan behoeften konden worden ontleend. Zo bleek bijvoorbeeld dat alle respondenten door het seksueel geweld angstig waren en zich onveilig voelden. Dit kan vertaald worden naar de behoefte ‘veiligheid’. Als uitkomst van het onderzoek werden vijf fundamentele behoeften geformuleerd, te weten: veiligheid, ruimte, erkenning, warmte en heelheid. De behoeften worden in het vervolg kort uitgelegd en verhelderd aan de hand van citaten uit de acht interviews.

-EINDE DEEL 1 –

Deel II vind je hier

[i] Aanvullende opmerking: in de afgelopen periode is er meer aandacht gekomen in de opleiding voor huiselijk en seksueel geweld. Wel blijken veel pastores handelingsverlegen te zijn.

[ii] A.L. Veerman (1998) Bang voor God. De contouren van een theologie van de gekwetste mens aan de hand van een onderzoek naar de pastorale behoeften van vrouwen die in hun jeugd slachtoffer zijn geworden van seksueel misbruik. Doctoraalscriptie Theologische Universiteit Kampen

[iii] Zie: N. Draijer (1990) Seksuele traumatisering in de jeugd. Gevolgen op lange termijn van seksueel misbruik van meisjes door verwanten. Van de 1054 geïnterviewde vrouwen blijkt dat één op de zeven vrouwen als kind slachtoffer is geworden van incest, en dat één op de drie vrouwen voor hun zestiende levensjaar te maken heeft gehad met een vorm van seksueel geweld. Uit een onderzoek van het ministerie van Justitie (1997) blijkt dat 13% van de mannen en 30% van de vrouwen slachtoffer is geworden van seksueel geweld binnenshuis.

[iv] R.R. Ganzevoort & A.L. Veerman (2000) Geschonden lichaam. Pastorale gids voor gemeenten die geconfronteerd worden met seksueel geweld. P. 12

[v] G. Heitink (1998) Pastorale zorg. Theologie – differentiatie – praktijk. P.41

Wanhopig? Jammer, joh

5 nov

Enkele jaren geleden ontmoette ik een man die ernstig getraumatiseerd is. Hij was eenzaam en beschadigd. Met moeite kon hij zijn hoofd boven water houden. Een collega van hem had hem uitgenodigd om een keer mee te gaan naar de Protestantse Gemeente in ’t Harde. We raakten in gesprek, en we maakten een afspraak voor een nadere kennismaking.  Het werd al snel duidelijk dat hij therapie nodig had. Hij werd gekweld door nachtmerries, depressieve gevoelens en suïcidale gedachten. Hij was zo angstig dat hij geen hulp durfde vragen. Samen bezochten we de huisarts, die direct de ernst van de situatie inzag. Hij werd doorverwezen naar de crisisdeeltijd, waar hij na enige tijd (?) terecht kon. Als predikant hielp ik hem de tijd te overbruggen.

De schreeuw door Esther Veerman

De schreeuw door Esther Veerman

De psychiater die de doorverwijzing begeleidde, gaf aan dat hij niet over voldoende kennis beschikte om mijn pastorant te kunnen begeleiden. Hij werd dus doorverwezen naar een andere psychiater. Ook deze gaf echter aan niet heel veel verstand te hebben van complexe posttraumatische stressstoornissen en dissociatieve identiteitsstoornssen. Maar vooruit, hij wilde wel ter overbrugging dienen. In de gesprekken van maximaal 20 minuten gaat het niet over de dagelijkse strijd om te overleven.

Inmiddels was mijn pastorant ook in geschreven bij een traumacentrum, vanwege zijn verleden en de dagelijkse gevolgen van de trauma’s. De wachttijd was rond de twee jaar. Toen meer dan een jaar verstreken was, werd hem verteld dat de beloofde mannengroep voorlopig niet van de grond zou komen. De wachttijd werd met onbepaalde tijd verlengd. Een dagbehandeling hier, een voorwerkgroep daar. Geen lijn, geen enkele therapeut die de regie voerde. Als predikant bleef ik hem in deze jaren maar gewoon trouw.

Aangezien er niet langer een plek werd aangeboden voor adequate therapie (namelijk het gaan verwerken van de trauma’s), en niets ook wat weinig is voor een wanhopig mens, kreeg hij het aanbod om deel te gaan nemen aan een cursus ‘omgaan met complexe ptss’. Maar daar dient zich nu een serieus probleem aan: hij mag alleen meedoen als hij een behandelaar heeft op wie hij terug kan vallen. Dat is echter niet zijn huidige behandelaar die alleen ter overbrugging is. De wanhoop bij mijn pastorant neemt toe. Is er dan verder niemand die zich verantwoordelijk weet voor hem? Is er geen therapeut die zijn pijn  en wanhoop ziet en ter harte wil nemen? Een logische vraag van hem: doe ik er eigenlijk wel toe. Als predikant blijf ik hem maar gewoon trouw bezoeken.

Terug naar de huisarts, die uiteindelijk ook niet kan doen. Er zijn te weinig gespecialiseerde therapeuten. De bezuinigingen versterken het tekort. De boodschap is: jammer genoeg ben je te ernstig getraumatiseerd. Er zijn voor deze groep te weinig behandelplekken.

Ellendig genoeg is dit niet het enige verhaal. Juist mensen die rondlopen met ernstige psychische problemen door trauma’s opgelopen in hun jeugd, lijken meer en meer aan hun lot te worden overgelaten. In het traumacentrum in Assen worden therapeuten dagelijks gebeld of er mogelijkheden zijn om nieuwe cliënten aan te nemen. De vraag is er, de therapeuten zouden er kunnen zijn. Helaas moet er fors bezuinigd worden, en zullen ook in het traumacentrum therapeuten ontslagen worden.

De kwetsbare mensen die worstelen met hun verleden zullen het zelf moeten redden. Ik ben als predikant niet opgeleid of toegerust om hen te begeleiden. Wat ik heb, is mijn trouw. Ik kan proberen hen een beetje nabij te zijn. Maar nu ga ik verhuizen, en zal ik mijn pastoranten in nood los moeten laten. De huisarts geeft aan niets te kunnen doen. De psychiaters zijn niet voldoende deskundig om een behandeling aan te gaan. Er zijn te weinig plekken om in een traumacentrum een therapie te kunnen volgen. Wat nu?

Je zou in deze tijd maar moeten dealen met ernstige gevolgen van geweld. Jammer, joh. We kunnen je niet helpen, jouw problemen zijn gewoon te ernstig. Sterkte!

Enige kanttekeningen bij Max Lucado’s visie op lijden

26 jul

Max Lucado is in christelijke kringen een zeer gewaardeerd auteur. Op zich niet vreemd, omdat hij toegankelijk schrijft en geloof weet te verbinden met het dagelijks leven. De krachtige en heldere voorbeelden waarmee Lucado zijn boodschap ondersteunt, maken zijn boeken geliefd bij een breed publiek. Ook worden zijn boeken graag cadeau gedaan aan mensen die meer zouden willen weten van het geloof.

Nu zijn er echter wel kritische vragen te stellen bij de visie van Lucado. De praktijk van geloven is soms weerbarstiger dan zijn boeken doen vermoeden. De vragen komen het scherpst naar voren wanneer Lucado over het lijden spreekt. Zo gaat hij in zijn boek Leven met God als middelpunt in op de vraag naar het lijden. Hij beschrijft het lijden als een middel om God te kunnen verheerlijken. Dat is het ultieme doel van het lijden – een korte tijd van lijden is slechts een geringe opdracht in verhouding met de beloning die ons wacht: delen in Gods heerlijkheid in de hemel.

Lucado zegt over het lijden: “Je pijn heeft een doel. Je problemen, strijd, hartzeer en moeilijkheden werken samen tot één doel – de eer van God.” (p. 130).  “Uitverkoren om te lijden tot eer van God. Zijn licht schijnt als door een prisma door hun lichaam vol pijn en stroomt uit in een waterval van kleuren. Flitsen van God.” (p. 136). Er zijn meer citaten te geven, maar het komt in hoofdlijnen op dezelfde gedachte neer. Door de manier waarop wij ons lijden dragen en daarin van God getuigen, wordt Gods heerlijkheid centraal gesteld.

God en het lijden

 Eenzijdig

Deze visie op het lijden is voor veel mensen bemoedigend en ondersteunend. In het zoeken naar een weg in het omgaan met pijn en teleurstelling kan het helpend zijn wanneer het lijden een doel heeft. Zeker wanneer je door je lijden kunt getuigen van Gods grootheid en heerlijkheid. Het kan helpen om rust te vinden en in volle overgave het lijden te aanvaarden. In Leven met God als middelpunt geeft Lucado hier ook enkele bijzondere voorbeelden van. Door de manier waarop mensen hun ziekte droegen, waren ze voor omstanders getuigen van Gods kracht.  Over een man die ongeneeslijk ziek is: ‘Je ziekenhuiskamer is een uitstalkast voor je Schepper. Jouw geloof terwijl je wordt geconfronteerd met lijden, versterkt het volume van Gods lied’.  Over zijn vader die aan de spierziekte ALS leed: ‘Arrangeerde God mijn vaders ziekte om die uitgesproken reden? [door het gelovig dragen van het lijden door zin vader werd iemand ertoe aangezet Christus te leren kennen, alv]. Omdat ik de waarde ken die Hij hecht aan één ziel, zou het me niet verbazen.’

Hoewel ik geen afbreuk wil doen aan de waarde die deze visie voor mensen kan hebben, roept deze benadering ook moeilijkheden op.  Allereerst raakt het aan de spannende vraag wat de rol van God is in het lijden. Krijgen wij dat van Hem toebedeeld opdat we zijn Naam groot maken? Geldt dat ook voor de slachtoffers van de treinramp in Spanje? Voor de vader die zijn zoon door suïcide heeft verloren? Zou dat kunnen – dat God wil dat we lijden? In de tweede plaats stelt Lucado dat woede, opstandigheid en aanklacht niet zouden passen in een Bijbelse manier van omgaan met lijden. Verheerlijken wordt immers uitgelegd als het groot maken van Gods Naam en zonder klagen dragen wat Hij ons oplegt. Deze visie van Lucado schiet voor sommigen pastoraal tekort en heeft te weinig oog voor de veelzijdigheid van de Bijbel. Verschillende malen heb ik gelovigen zien strijden op hun sterfbed, omdat zij het leven lief hadden. Zou het de nabestaanden helpen als ik tegen hen moest zeggen dat hun overleden geliefde gefaald heeft in het verheerlijken van God? In de derde plaats verzuimt Lucado ook onderscheid te maken tussen de verschillende oorzaken van lijden. In sommige omstandigheden kan berusting buitengewoon schadelijk zijn. Met name wanneer mensen lijden onder geweld of andere vormen van onrecht zou het verheerlijken van de Naam juist verzet en opstandigheid moeten betekenen.

 De Bijbel en het lijden

In mijn beleving biedt de Bijbel meer ruimte om om te gaan met het lijden. Soms is er de oproep te berusten (exil-motief: het accepteren van de ballingschap in de profetie van Jeremia), soms de oproep om weg te trekken uit slavernij en ellende (exodusmotief). Waar de Bijbel echter steeds heel duidelijk over is, is dat God het lijden en het kwaad niet wil. Als het gaat om de wil van God, dan gaat het over de komst van het Koninkrijk. Een Rijk van recht en gerechtigheid.

God verzet zich tegen onrecht en tegen lijden. Als wij in opstand komen, als wij het leven niet los kunnen laten, dan vinden wij God aan onze zijde. Juist in de Bijbel vinden we de oproep aan God zich te tonen, zich niet verborgen te houden.  Heel duidelijk komt dat naar voren in psalm 44:

24 Word wakker, Heer, waarom slaapt u?
Ontwaak! Verstoot ons niet voor eeuwig.
25 Waarom verbergt u uw gelaat,
waarom vergeet u onze ellende, onze nood?

(Zie bv ook psalm 13, psalm 22, psalm 88), Matt. 26, 36 – 46).

Lijden als opdracht om Gods heerlijkheid te laten zien, is minder Bijbels dan Lucado doet vermoeden. De Bijbelteksten die hij aanhaalt (de blindgeborene en Lazarus die uit de dood wordt opgewekt) zijn geen bewijs om lijden te aanvaarden tot Gods eer, maar laten juist zien dat God zich verzet tegen lijden en dood. Laten we beginnen om te luisteren naar de lijdende medemens, opdat we de ander tot steun mogen zijn.

.

Pijnlijke seks

24 jun

“Het liefst zou ik een arm om mij heen willen. Ik voel me eenzaam en verlang naar geborgenheid en warmte. Maar ja, hij wil dan altijd meer. Dus die arm om mij heen – daar begin ik maar niet aan.” “Weet u, dominee, ik verlang zo naar mijn vrouw. Ik vind het fijn om haar lief te hebben; maar als ik haar omhels, duwt ze me weg. Ik weet echt niet wat ik er mee aan moet.”

Geregeld hoor ik verhalen van mensen die vast dreigen te lopen in hun relatie. Het zijn verhalen van verwarring: van verlangen en angst, van verwachting en teleurstelling.  Met name in de seksuele relatie is de verwarring uitermate pijnlijk – voor beide partners. Sommigen (vaak de vrouwelijke partners) vertellen over seks die ze niet wilden, die ze gelaten lieten gebeuren. Soms geven ze toe, omdat ze hun partner tegemoet willen komen. Je kunt iemand toch geen seks onthouden? Ook komt het voor dat vrouwen nadrukkelijk aangeven geen seks te willen, maar toch neemt de man waarop hij meent recht te hebben. ‘We zijn toch getrouwd? ‘

trouwringen

Het leidt tot pijnlijke seks. Pijnlijk – misschien letterlijk, maar in ieder geval figuurlijk: als je seks hebt tegen je zin, om welke reden dan ook, dan breekt dat af. Het is een grensoverschrijding  die uiteindelijk schade berokkent. Niet alleen wanneer een van beide partners nadrukkelijk heeft aangegeven geen seks te willen, maar ook wanneer je het laat gebeuren voor de ander. De behoefte aan intimiteit, gekend en gezien worden, ontaardt in ongewilde seksualiteit. Ook voor de partner die het initiatief heeft genomen tot seks en in de veronderstelling verkeert dat het opbouwend en goed was, zal het pijnlijk vinden om achteraf te horen dat zijn partner dit als ongewenst en ongewild bestempelt. Onuitgesproken verwachtingen, stille verlangens en onvermogen om grenzen te bespreken liggen ten grondslag aan de verwarring over seksualiteit en intimiteit.

Onteigend lichaam

Deze verwarring speelt met name bij mensen die te maken hebben (gehad) met ervaringen van verwaarlozing, geweld of seksueel misbruik. Deze ervaringen leiden vaak tot gevoelens van minderwaardigheid en tot een beschadigd zelfbeeld. Daarnaast hebben ervaringen van geweld en misbruik invloed op het vermogen om anderen te vertrouwen. Zelfs als het gaat om nabije mensen: familie, vrienden en partners. Tot slot hebben mensen met ervaringen van verwaarlozing, geweld of misbruik vaak moeite met hun eigen lichaam. Het is vervreemd, onteigend. Deze gevolgen leiden tot een grote interne spanning. Enerzijds is er de behoefte aan geborgenheid, warmte en troost. Anderzijds is er de angst door de ander verraden te worden of opnieuw ontkend te worden. Het verlangen heeft te maken met het zoeken van veilige en begrensde intimiteit, de angst wordt gevoed en bevestigd door de niet gevraagde, maar veronderstelde seksualiteit.

Maak werk van intimiteit 

Om tot een gezonde en heilzame seksualiteit te kunnen komen (als dit nog mogelijk is), is het van belang dat beide partners de ruimte hebben om hun verlangen onder woorden te brengen en om grenzen aan te mogen geven. Juist de onuitgesproken verwachting dat intimiteit logischerwijs tot seks zal leiden, maakt dat intimiteit alleen al als bedreigend zal worden ervaren. Als je partner om een arm om haar/hem heen vraagt, is dat dus geen uitnodiging om seks te hebben.

Waar grenzen worden gerespecteerd kan geborgenheid en warmte groeien en kan angst overwonnen worden.

Geheimhouding: dienst aan de ander

7 mrt

Dit is een bewerking van mijn artikel in Confessioneel 

Geheimhouding behoort tot het wezen van het ambtelijk handelen. Met name pastorale en diaconale arbeid staat of valt met vertrouwen. Wanneer er geen vertrouwen is in de ouderling of de predikant, zal er geen inhoudelijk gesprek kunnen plaatsvinden. In artikelen en discussies over het ambtsgeheim wordt er vaak een koppeling gemaakt met het beroepsgeheim n vergelijkbare beroepsgroepen. Maar hoe functioneert geheimhouding of ambtsgeheim nu in de ambten en diensten die vrijwilligers vervullen?  De analogie met beroepsgeheim kan voor hen immers niet gelden. Om deze vraag te kunnen beantwoorden, ga ik eerst in op de plek van het ambtsgeheim in de kerkorde. Het ambtsgeheim is een middel om de betrouwbaarheid en zorgvuldigheid van de pastorale en diaconale arbeid te beschermen. Vervolgens ga ik in op de vraag naar de grenzen van het ambtsgeheim. Tot slot worden enkele conclusies getrokken. privacy+en+geheimhouding

Ambtsgeheim: waarborgen van betrouwbaarheid

In de kerkorde van de Protestantse Kerk in Nederland is opgenomen in ordinantie 4, artikel 2 dat ‘zij die een ambt dragen, zij die een dienst vervullen en zij die vanwege gemeente of kerk een taak vervullen, geheimhouding verplicht zijn ten aanzien van alle zaken die hun in de uitoefening van hun ambt, dienst, functie of taak ter kennis komen en een vertrouwelijk karakter dragen’. Wat in deze formulering opvalt, is dat de kerkorde de geheimhouding breed opvat. Het geldt niet alleen voor ambtsdragers, maar ook voor andere vrijwilligers. Ook is het niet beperkt tot een bepaalde afgebakende arbeid, maar raakt alle communicatie die voorkomt uit het kerkelijk werk, mits het een vertrouwelijk karakter draagt.

Het is niet vanzelfsprekend dat geheimhouding op een dergelijke uitgebreide wijze is vastgelegd in de kerkorde. In de jaren ‘50 speelde zowel in de Nederlands Hervormde Kerk als in de Gereformeerde Kerken de vraag of het ambtsgeheim moest worden opgenomen in de kerkorde (D.H.J. Steenks 1999,‘Tussen ons gezegd en gezwegen’. Scriptie over het ambtsgeheim en predikanten.)  Daarnaast moesten beide kerkgenootschappen besluiten of deze geheimhoudingsplicht tevens een plek zou kunnen krijgen in de bevestigingsorden voor ambtsdragers.

Het springt in het oog dat beide kerkgenootschappen hier verschillend over hebben geoordeeld. De Nederlands Hervormde Kerk nam de geheimhouding op in de kerkorde, maar niet in de orde voor de bevestiging van ambtsdragers. In de Gereformeerde Kerken was dit precies andersom. Ook in de huidige tijd is er discussie over het al dan niet vastleggen van geheimhouding in de kerkorde. Zo geeft de gereformeerde (vrijgemaakte) predikant Harmannij in een artikel aan waarom volgens hem geheimhouding geen plaats in de kerkelijke regelgeving verdient (K. Harmannij  (1998) Ambtsgeheim. In: Dienst. Maandblad voor ouderlingen en diakenen van de Geref. Kerken in Nederland (vrijgem.). Jaargang 46, afl. 6). Hij maakt bezwaar tegen het feit dat geheimhouding slechts voor een bepaalde groep zou gelden. Immers elk gemeentelid is geroepen om betrouwbaar te zijn. Zijn belangrijkste punt is dat het spreken in termen van zorgvuldigheid meer recht doet aan het pastorale werk dan het spreken over geheimhouding. Er is meer over deze discussie te vertellen, maar het punt dat ik hier wil maken, is dat het kerkordelijk spreken over geheimhouding niet altijd vanzelfsprekend is (geweest).

Het gegeven dat de geheimhouding in de Protestantse Kerk in Nederland is opgenomen in zowel de kerkorde als ook in de orden voor de bevestiging van ambtsdragers, geeft aan dat de geheimhouding gezien wordt als een verankering van de betrouwbaarheid van mensen die in een ambt staan of een taak of dienst vervullen. Van den Heuvel (2004 De toelichting op de kerkorde van de Protestantse Kerk n Nederland. p. 158) merkt hierover op: “In de kerk moet men elkaar kunnen vertrouwen. Dat is van essentieel belang voor het pastoraat, voor diaconale hulpverlening, voor alle situaties waarin vertrouwelijke zaken aan de orde komen. Daarom is de bepaling over de geheimhouding breed geformuleerd.” Ook Heitink (1998, Pastorale zorg. Theologie – differentatie – praktijk. p. 129 hecht veel waarde aan het ambtsgeheim. Hij brengt dit ter sprake wanneer hij spreekt over de pastorale zorg. De mens die zich aan een ander toevertrouwt, maakt zich kwetsbaar. In die zin wordt een pastorale relatie gekenmerkt door asymmetrie vanwege machtsongelijkheid. Dit brengt een verantwoordelijkheid met zich mee, “die tot uitdrukking dient te komen in persoonlijke betrouwbaarheid, in het bewaren van het ambtsgeheim, en in het respecteren van een beroepscode die de waardigheid en integriteit van de ander beschermt.”

Het ambtsgeheim kan de ruimte bieden om persoonlijke en intieme zaken te bespreken, omdat men zich vrij voelt om te spreken. Er is geen principieel verschil tussen de geheimhoudingsplicht van een predikant, een ouderling, diaken, pastoraal bezoeker, etc. Het is in die zin ook van betekenis dat in de kerkorde de bepaling zo ruim is geformuleerd. Het gaat om allen die uit hoofde van de kerk vertrouwelijke informatie kunnen verkrijgen. Ook beperkt de kerkorde de geheimhouding niet tot officiële ontmoetingen, maar laat alles wat een vertrouwelijk karakter draagt onder de geheimhouding vallen. Dit kan gaan om toevallige gesprekken en ontmoetingen. Het roept kerkelijke functionarissen op om met fijngevoeligheid en zorgvuldigheid om te gaan met verkregen informatie.

Reikwijdte ambtsgeheim

Helaas is het zo dat ambtsdragers zich niet altijd bewust zijn van de reikwijdte van het ambtsgeheim. Daarnaast is er, zeker in kleinere plaatsen waar mensen elkaar geregeld in verschillende verbanden tegenkomen, vaak een grote schroom om vrijuit te spreken tegen ambtsdragers. Te vaak komt het voor dat door nonchalance of goed bedoeld overleg vertrouwelijke informatie met teveel mensen wordt gedeeld. Daarom is het van toegevoegde waarde dat bij de bevestiging van ambtsdragers de vraag naar geheimhouding klinkt. Het is een herinnering voor gemeente en ambtsdrager dat vertrouwelijkheid tot de kernbegrippen van het ambt hoort. Het ambtsgeheim staat ten dienste van de gesprekspartner. Het helpt om haar of zijn privacy te waarborgen, zodat zij/hij de ruimte heeft om zichzelf te laten zien. In die zin is geheimhouding dienst aan de ander.  

Absoluut karakter

Betekent dit dat de geheimhouding voor kerkelijke vrijwilligers een absoluut karakter kent? In eerste instantie ben ik geneigd om die vraag positief te beantwoorden, om het belang van geheimhouding op scherp te zetten. Het gaat immers om de integriteit, betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van de vrijwilliger. En meer dan dat, ook de integriteit van de kerk namens wie de vrijwilliger langskomt, staat op het spel. Voor elk ambt geldt immers dat men ertoe geroepen wordt en bevoegd moet zijn.

Het geroepen zijn door God staat voorop. In eerste plaats staat een ambtsdrager in dienst van God. De gemeente geeft stem aan de roeping van God om een bijzondere taak te vervullen. Die twee momenten komen samen in het ambt: het is uit Christus en door de gemeente. Geloofwaardig en dienstvaardig vormen de kernbegrippen van de ambtsopvatting. Overigens geldt dit niet alleen de ambtsdragers, maar alle leden van de gemeente die het ambt aller gelovigen bekleden. De plicht tot geheimhouding houdt in dat vertrouwelijke informatie niet zonder meer gedeeld mag worden met derden. Dit betekent dat de ambtsdrager of vrijwilliger niets mag vertellen aan eventuele gezinsleden en vrienden.

Als verhalen zijn/haar eigen gemoedsrust raken, kan hiervoor aandacht gevraagd worden zonder inhoudelijk op de situatie in te gaan. Ook kan niet zonder overleg een verhaal met andere ambtsdragers besproken worden. Ambtsgeheim is in die zin aan het ambt van de persoon gebonden. Er kan dan ook niet zoiets bestaan als gedeeld ambtsgeheim. Soms is overleg echter noodzakelijk, maar de ambtsdragers dragen de verantwoordelijkheid om dit zorgvuldig en liefdevol te doen. Ook wanneer overleg noodzakelijk wordt geacht, zoals bijvoorbeeld in een diaconievergadering, is het de vraag of alle diakenen alle details van de hulpvrager zouden moeten kennen.

De plicht tot geheimhouding is een niet te onderschatten groot goed. Zeker in een tijd waarin er zoveel in beweging is rond het privacybeleid. De afgelopen jaren is op meerdere terreinen privacy prijsgegeven ten gunste van veiligheid. Het is van belang dat in de kerken betrouwbaarheid en geloofwaardigheid hoog in het vaandel staan als het gaat om het beschermen van de rechten van het individu.

Grenzen aan het ambtsgeheim

Dit gezegd hebbend, ben ik van mening dat er ook grenzen zitten aan het ambtsgeheim. Er zijn uitzonderingen denkbaar, waarbij overwogen moet worden of het ambtsgeheim niet doorbroken dient te worden. Uitgangspunt blijft dat de geheimhouding het welzijn dient van de gesprekspartner. Dit uitgangspunt biedt ook direct de ruimte voor de uitzonderingen, namelijk wanneer het welzijn van de gesprekspartner op het spel staat of wanneer er onrecht plaatsvindt en ingrijpen noodzakelijk is. In zo’n situatie kan het ondoordacht vasthouden aan het geheimhouding uiteindelijk het tegendeel bewerken dan waarvoor het bedoeld is.

Een paar voorbeelden: een vrachtwagenchauffeur vertelt de ouderling dat hij slecht slaapt en zo vermoeid is, dat hij soms bijna in slaap valt achter het stuur. Het lucht hem op om dit te vertellen, maar hij is niet bereid om verder iets aan zijn probleem te doen. Een vrouw, die graag gezien is in de gemeente, vertelt aan een diaken dat zij erg depressief is. Zij wil niet dat dit verder bekend wordt, maar geeft ook toe suïcidaal te zijn. Ze gaat niet naar de huisarts, omdat ze dat stigmatiserend vindt. Een pastoraal wijkbezoeker bezoekt een gezin, een echtpaar en twee jonge kinderen. Als zij in gesprek zijn, maken de twee kinderen veel lawaai in de aangrenzende kamer. De man staat op om de kinderen tot rust te manen. In de huiskamer is goed te horen dat de man beide kinderen slaat. De vrouw kijkt geschrokken naar de pastoraal wijkbezoeker en fluistert: “Hij kan soms wat driftig zijn, maar als hij niet zoveel zou drinken zou hij veel aardiger zijn. Je mag dit niet verder vertellen, hoor.” Een meisje blijft vaak hangen na Rock Solid avonden. Ze gaat altijd zo laat mogelijk naar huis. De jeugdleider maakt dan altijd nog even een praatje met haar. Op een keer maakt de leider het grapje: “Het lijkt wel of je liever hier wilt blijven slapen!” Het meisje zegt: “Ja, dan zouden er niet van die afschuwelijke dingen gebeuren.” Ze schrikt van haar woorden en smeekt de leider om dit beslist niet verder te vertellen. Het zijn voorbeelden uit de praktijk van het kerkenwerk. Soms zijn het terloopse ontmoetingen, soms afgesproken huisbezoeken.

Wat de voorbeelden gemeenschappelijk hebben, is dat het zaken betreft die een vertrouwelijk karakter dragen en waarbij het welzijn van de gesprekspartner of van anderen in het geding is. De behoefte om de geheimhouding te doorbreken is tweeërlei. Enerzijds is er de behoefte om de ander te helpen of om onrecht aan de kaak te stellen. Anderzijds is er de behoefte om te reflecteren op het eigen handelen. Wat moet ik doen? Hoe moet ik me opstellen? Wat kan ik zeggen en wat niet? Heb ik de juiste koers uitgezet? Het is van groot belang om aan de behoefte tot reflecteren tegemoet te komen. Dit kan ook zonder het ambtsgeheim ter discussie te stellen. De situatie kan anoniem voorgelegd worden aan andere deskundigen. Zo kan in een situatie van huiselijk geweld anoniem het Advies en Meldpunt Kindermishandeling of het Steunpunt Huiselijk Geweld geraadpleegd worden. Ook kan een naburige predikant of iemand vanuit de landelijke kerk benaderd worden om advies en overleg. Wanneer een verhaal drukt op de vrijwilliger is dit een noodzakelijke stap: ga naar de eigen predikant of zoek een deskundige om anoniem de situatie voor te leggen!

Voorwaarden

Wanneer overwogen wordt om het ambtsgeheim te doorbreken, omdat het welzijn van de gesprekspartner in het geding is, of omdat er sprake is van onrecht dat nog steeds plaatsvindt, is het goed om een aantal voorwaarden mee te laten wegen. Het ambtsgeheim mag alleen doorbroken worden, wanneer er geen andere oplossingen meer mogelijk zijn. Zo is het denkbaar in het voorbeeld van de vrachtwagenchauffeur dat de ouderling nog een vervolgbezoek brengt om te wijzen op de risico’s van slaperig rijden. Daarnaast moet het doorbreken van het ambtsgeheim ook tot een oplossing leiden. Het betekent dat de ambtsdrager zich oriënteert op mogelijkheden.

Het anoniem doorspreken van de situatie is een noodzakelijke stap. Vervolgens zal degene die het ambtsgeheim doorbreekt dit met grote zorgvuldigheid moeten doen: er mag alleen datgene gedeeld worden, wat voor die situatie noodzakelijk is. Ook mag het niet met  meer mensen worden gedeeld dan strikt noodzakelijk. Wanneer de diaconie een verzoek krijgt om financiële ondersteuning via een diaken, mag deze diaken niet uitweiden over zaken die niet samenhangen met de hulpvraag. Tot slot verdient het aanbeveling om, indien mogelijk, het ambtsgeheim te doorbreken in overleg met de gesprekspartner. In situaties waarin het welzijn van de gesprekspartner op het spel staat of waarin onrecht aan het licht komt, kan onder bovengenoemde voorwaarden het ambtsgeheim doorbroken  worden. De plicht tot geheimhouding is een groot goed, en vraagt om een zorgvuldige naleving. Dit geldt zowel voor de predikant als voor de vrijwilligers, omdat geheimhouding ten dienste staat van de gesprekspartner.