Tag Archives: Bijbelverhaal

Een mandje op de Nijl

5 mei

(Bij mijn afscheid van de Protestantse Gemeente ‘t Harde mochten de kinderen hun lievelingsverhaal uit de Bijbel kiezen. Dit is de keuze van Ninet)

Beste Ninet, wat gaaf dat jouw lievelingsverhaal het verhaal van de geboorte van Mozes is. Het is echt een bijzonder verhaal. Luister maar:

‘Je bent een wonder, weet je dat?’ Mozes zit op een boomstam tussen zijn broer Aäron en zijn zus Mirjam. Ze zitten stijf tegen elkaar aan. Mozes laat zijn benen lekker bungelen. Aäron springt op de grond, zoekt een plat steentje en kaatst het steentje over het water. Drie, vier keer stuitert het steentje, voordat het in de Nijl verdwijnt. Aäron draait zich om en kijkt Mozes in de ogen. Hij kijkt ernstig. ‘Je bent een wonder, Mozes, dat mag je nooit vergeten’.  Mirjam slaat haar arm om Mozes heen, en aait hem over zijn bol. Geen springerige Joodse krullen, maar kaalgeschoren, zoals de gewoonte was bij Egyptische prinsen.

Mozes legt zijn hoofd tegen de schouder van zijn zus. ‘Wil je het nog een keer vertellen, Mirjam?’

Mirjam glimlacht. ‘Natuurlijk’. Het is dan ook zo’n mooi verhaal. Nou ja, mooi. Het is ook een verdrietig en pijnlijk verhaal. ‘Je weet dat de Egyptenaren ons, Israëlieten, niet kunnen uitstaan. Misschien zijn ze eigenlijk bang voor ons en proberen ze daarom ons het leven zuur te maken. Dat is niet altijd zo geweest. Heel lang geleden werden we met open armen ontvangen omdat onze voorvader Jozef zowel de Egyptenaren als ons had gered. (Dat verhaal vertel ik je nog een ander keertje, goed?) We mochten in een prachtige landstreek in Egypte wonen. We waren goede buren voor elkaar en waren gelukkig. In de loop van de jaren begonnen de Egyptenaren te veranderen. Ze waren minder vriendelijk. Ze begonnen met kleine pesterijtjes. Maar het werd in de loop van de jaren steeds erger. Ze begonnen ons te vernederen en pakten ons onze vrijheid af. We werden slaven van de Egyptenaren. We moesten hard en zwaar werk doen.

Het vernederen bleek niet genoeg. Enkele jaren geleden werden de Egyptenaren echt vijandig. Niet allemaal gelukkig. Maar de Farao, de koning van Egypte, en zijn dienaren zagen ons niet meer als medemensen. In  hun ogen waren we niets meer waard, maar toch waren ze bang voor ons. De Farao bedacht dat er geen jongetjes meer mochten blijven leven. Als dit plan zou werken, zouden we als Israëlieten geen toekomst meer hebben.

Je broer Aäron was geboren voordat de Farao dit onzalige plan had bedacht. Ik ben een meisje, dus ik mocht blijven leven. Maar toen moeder jou kreeg, waren we allemaal bang. Als jongetje mocht je niet blijven leven. Veel Egyptenaren waren het niet met de Farao eens, en hielpen ons stiekem. Maar toch waren er vele families die door toedoen van de Farao hun kindjes hadden verloren.

Onze moeder Jochebed was vastbesloten om jou in leven te houden. Elke ochtend smeekten we God om ons bij te staan en jou te redden. Elke avond dankten we dat deze dag goed gegaan was. We verborgen je zo goed en zo kwaad als het ging. Als je moest huilen, maakten Aäron en ik lawaai, zodat de Egyptenaren in ons dorp je niet zouden horen.. Maar we wisten ook dat het zo niet lang door kon gaan. Vroeg of laat zouden we ontdekt worden.

Moeder bedacht een plan. Echt een ongehoord en ongelofelijk plan.’ In Mirjams ogen beginnen pretlichtjes te schijnen.  ‘Onze vader Amram zag het eigenlijk niet zitten. Hij twijfelde tussen vluchten met het hele gezin of zich aansluiten bij het gewapend verzet. Toch stemde hij in.

We wisten dat de dochter van de Farao zich elke ochtend in de Nijl ging wassen. Het was een hele vriendelijke en zachte vrouw. Ze gedroeg zich heel anders dan haar norse en hooghartige vader. Aan alles was te zien dat ze erg van kinderen hield, maar zelf was ze nooit moeder geworden.

Amram had een mandje gemaakt. Een mand van riet, dicht gesmeerd met pek zodat er geen water in zou komen. We legden jou in het mandje. Met grote ogen keek je ons aan. Je was nog maar drie maanden, maar het leek wel of je aanvoelde wat er ging komen. Voorzichtig zette ik het mandje op het water, stroomopwaarts en wachtte gespannen af of de prinses ook zou komen. Ja. Ja, daar kwam ze aan, met haar slavinnen en vriendinnen. Ik haalde diep adem, liep een paar passen de Nijl in en gaf het mandje een zet.

Daar ging je. Een klein mandje op die grote rivier de Nijl. Je begon meteen te huilen. De stroom kreeg vat op het mandje en je dreef naar de bocht waar de dochter van de Farao zich aan het wassen was. Door het riet snelde ik sluipend met je mee. Mijn hart bonkte in mijn keel, tranen brandden achter mijn ogen. Wat zou er gebeuren, hoe zou het gaan?!

Tot mijn  verrassing ging het precies zoals moeder had voorspeld. De dochter van de Farao zag het mandje en hoorde jouw gehuil. Ze gaf aan een van haar slavinnen opdracht om het mandje te halen. Toen ze in de mand keek en jou zag, smolt haar hart. Liefdevol pakte ze jou op en drukte jou tegen haar aan. Ze wist gelijk dat je een Israëlitisch jongetje was en dat je eigenlijk gedood zou moeten worden. Maar geen haar op haar hoofd die daaraan dacht. Sterker nog, ze tilde jou hoog in de lucht en huilde van geluk.

Op dat moment rende ik naar de prinses toe. Je huilde van honger. Je kreeg nog de borst van moeder en tja, dat kon de dochter van de Farao jou natuurlijk niet geven. ‘Zal ik iemand halen om het kindje te voeden’ riep ik naar de prinses. ‘Ja, doe maar, graag!’ Ja, moeder had gelijk. De dochter van de Farao had jou gelijk in haar hart gesloten.

En zo mocht jij eerst nog gewoon bij ons thuis wonen. Tot je groot genoeg was, toen moest je naar het paleis. Je bent een wonder, Mozes. Je had er eigenlijk niet horen te zijn, maar nu leef je in het paleis van de Farao en mogen wij jou steeds opzoeken. Ik denk dat jij nog grote dingen gaat doen. Maar vergeet nooit wie je bent. En vergeet nooit dat het God zelf is die jou uit het water heeft gered’.

Mirjam kust Mozes op zijn voorhoofd. ‘Vooruit Mozes, je moet weer naar het paleis, voordat de prinses ongerust wordt. Dag lieverd’.

Jozef, deel 1. Een irritant broertje

3 mei

(Bij mijn afscheid van de Protestantse Gemeente ‘t Harde mochten de kinderen hun lievelingsverhaal uit de Bijbel kiezen. Dit is de keuze van Kyra)

Beste Kyra, ik ben blij dat je lievelingsverhaal het verhaal van mijn broer Jozef is. Het is echt een heel bijzonder verhaal. Eerlijk gezegd vind ik het best heel lastig en moeilijk om het verhaal van Jozef aan je te vertellen, omdat ik zelf best heel gemeen ben geweest naar mijn broertje. Gelukkig hebben we de kans gekregen om het weer goed te maken. Waar ik vooral zo dankbaar voor ben, is Jozef de moed had om ons te vergeven. Dat vind ik echt heel knap en dat had ik eerlijk gezegd niet verwacht. Weet je wat ook zo bijzonder is? Dat Jozef ook op de eenzaamste en donkerste momenten geholpen is door onze God. Luister maar.

Mijn naam is Ruben. Ik ben de oudste van ons gezin. Nu moet ik je wel vertellen dat ik uit een ingewikkeld gezin kom. We hebben wel allemaal dezelfde vader, maar vier verschillende moeders. In onze tijd kwam dat wel vaker voor, maar in de tijd waarin jij leeft zou dat wel heel vreemd zijn, of niet? Het gaf bij ons trouwens veel spanning. De moeder van Jozef, Rachel, had een enorme hekel aan Lea, mijn moeder. Ze wilden namelijk allebei de belangrijkste zijn voor onze vader Jacob. Maar onze vader hield nou eenmaal het meeste van Rachel, dat wist iedereen. Het gekke was dat het krijgen van kinderen een soort competitie werd. Alsof je met kinderen krijgen liefde kon afdwingen.

Mij  moeder Lea kreeg het eerst kinderen. Ik werd geboren, en later mijn broers Simeon, Levi en Juda. Het leek erop dat Rachel geen kinderen kon krijgen. Rachel werd in die tijd nog bozer en jaloerser. We liepen het liefst een eindje om als Rachel eraan kwam. We konden het nooit goed doen in haar ogen. We kregen altijd maar sneren. Niets aan. Onze vader Jacob liet het maar gebeuren, hij deed er niets aan. Maar ja, hij was dan ook tot over zijn oren verliefd. Tja, en daar werd onze moeder Rachel dan weer ontzettend chagrijnig van…

Jaren later kreeg Rachel toch een zoon. Jozef noemde ze hem. Jozef was de elfde zoon van Jacob, want er waren in de tussenliggende jaren nog zes zonen geboren. Het gekke was dat Rachel nog een beetje gemener leek te worden nu ze zelf ook een zoon had. We konden het niet helpen, maar daardoor kregen we ook een beetje een hekel aan Jozef. Tot overmaat van ramp werd hij ook nog eens het lievelingetje van onze vader. Jozef kon echt helemaal niets verkeerd doen. Als Rachel hem niet beschermde, deed Jacob het wel. Hoe vaak Simeon en Juda niet de schuld kregen als Jozef iets fout deed – pfff. We zouden hem zo graag eens een lesje leren. Maar ja, die kans kregen we natuurlijk nooit. Hij hield altijd de rok van zijn moeder vast.

Ja, Rachel… Bij de geboorte van haar tweede zoon, Benjamin, enkele jaren na de geboorte van Jozef, is ze overleden. Pas later begreep ik hoe ingrijpend dat moet zijn geweest voor Jozef. We hadden toen voor hem moeten zorgen, maar we staken de draak met hem. Benjamin daarentegen vonden we allemaal een droppie. Iedereen liep met hem weg.

Jacob veranderde ook door het verlies van Rachel. Het leek of de lach uit het leven van onze vader was verdwenen. De glans was uit zijn leven verdwenen. Rachel was zijn grote liefde en niemand kon haar plaats innemen. Het leek erop dat Jozef nog veel belangrijker werd voor Jacob. Wij moesten de schapen en geiten hoeden, wij moesten zorgen voor de kamelen, maar Jozef bleef bij de tenten. Altijd in de buurt van Jacob.

Op een keer kwamen we terug na een dag hard werken. Tot onze verbazing en woede had Jozef een schitterende mantel gekregen. Een mantel met alle kleuren van de regenboog. En waarom? Wat deed hij de hele dag?! Wij liepen het vuur uit onze sloffen, zorgden voor alles – maar nooit een bedankje.  Maar deze Jozef kreeg zomaar zo’n schitterend cadeau. Wij vonden Jozef al verwaand, en dat werd er nu niet beter op …

Jozef begon dromen te krijgen. Weet je, dromen zijn bijzonder. Het kunnen soms boodschappen van God zijn. Maar die dromen – echt te gek voor woorden! Hij droomde dat wij allemaal voor hem zouden knielen. en niet alleen wij als broers, maar ook zijn eigen vader! Stel je voor, dat onze vader Jacob voor die Jozef zou moeten knielen – te zot voor woorden, toch?

Jacob zelf kreeg ook een beetje genoeg van deze rare dromen van Jozef. Het leek hem een goed idee om Jozef iets minder bij de tenten te houden en wat harder te laten werken. En zo kwam het we op een middag ineens Jozef in de verte zagen aankomen. We herkenden hem al van verre aan zijn gekleurde mantel.

We waren met de kudden de vlakte ingetrokken. Een stuk verder dan normaal, omdat er niet zoveel gras was. Jozef was door Jacob naar ons toegestuurd om ons wat eten te brengen en om te horen hoe het met ons ging. Het was voor het eerst dat Jozef er in zijn eentje op uit was gegaan. We roken onze kans. Wat zouden we die opschepper eens goed laten schrikken. Eindelijk konden we hem een lesje leren.

Snel verstopten we ons achter een heuvel en bespraken wat we met Jozef zouden doen. Wat  begon als een geintje kreeg al gauw een grimmige klank. Eerlijk gezegd schrok ik van Simeon en Juda. Ze waren zo fel en keken zo gemeen uit hun ogen. Opeens werd ik bang. Bang dat ze Jozef iets aan zouden doen. Ze waren zo boos. Ik moest nu snel handelen voor het uit de hand zou lopen. Iets verderop was een waterput die droog stond. Als we Jozef daar nu eens in zouden gooien? Hij zou ontzettend schrikken, en dan zou iedereen vast wel weer een  beetje bedaren.

Ondertussen klauterde Jozef onbekommerd de heuvel op, een vrolijk deuntje fluitend. Voordat hij er erg in had, sprongen we vanachter de rotsen boven op hem, trokken zijn mantel uit en sleurden hem naar de put. Op een afstandje volgde ik mijn broers. Ik hoorde Jozef jammeren van schrik. Het voelde helemaal niet goed. Maar voordat ik nog iets kon zeggen, gooiden mijn broers hem in de put. Met een klap belandde Jozef op de bodem. Even was het stil. Toen hoorde ik het klaaglijke roepen van Jozef: ‘Toe nou, doe nou niet’. De broers vonden het geweldig, jouwden en lachten hem hardop uit.

Na een tijdje werd het rustiger. Jozef had besloten om niets meer te zeggen. Mijn andere broers hadden honger gekregen en zaten in een kring rond een hoog oplaaiend vuur. Ikzelf wilde even alleen zijn om na te denken. Hoe kon ik Jozef uit die put krijgen en zorgen dat mijn broers weer een beetje normaal zouden gaan doen? Hoe kon ik er voor zorgen dat Jozef niets tegen Jacob zou zeggen.

Zo piekerde ik nog een tijdje. Ik liep terug naar de put in de hoop om Jozef ongezien eruit te halen. Maar tot mijn grote schrik was de put leeg. Waar was Jozef?! Op mijn schreeuwen kwamen mijn andere broers er aan gerend. ‘Waar is jozef?’ riep ik uit. Juda keek mij hooghartig aan. ‘Er kwam een karavaan aan, op weg naar Egypte. Ik dacht, kom laten we Jozef verkopen. Dat is altijd nog beter dan doden’ en Juda bulderde van het lachen om zijn eigen slimmigheid. Ik werd woedend. Ik greep Juda bij zijn kleren. ‘Wat moeten we nu? Hoe kunnen we ooit nog thuiskomen, nu we het lievelingetje van onze vader Jacob hebben gekocht? Hoe kon je zo dom zijn!’

Verslagen keken we elkaar aan. We moesten een plan verzinnen. En snel.

Wordt vervolgd

Jozef in de gevangenis

17 mrt

Voor de kinderen van de kinderkerk ‘De Ark’ van de Protestantse Gemeente ’t Harde ben ik een dagboekje aan het schrijven met hun lievelingsverhalen als afscheidscadeau. Dit verhaal heb ik voorgelezen tijdens de afscheidsdienst in januari. Nu is het tijd om ook de andere verhalen te gaan schrijven. Op mijn blog publiceer ik deze verhalen.

Beste Kyra en Karlijn,

Wat leuk dat jullie vragen naar hoe ik onderkoning van Egypte ben geworden.  Als ik het verhaal vertel aan mijn eigen kinderen en kleinkinderen kan ik het soms nauwelijks geloven. Jullie weten dat ik uit een groot gezin kom, he.

jozef in de gevangenis

Ik was altijd erg trots op mijn grote broers, maar op de een of andere manier kregen ze een enorme hekel aan mij. Ik zag het niet en ik snapte het ook niet – maar goed, daar vertel ik een andere keer verder over. In ieder geval belandde ik door mijn broers in Egypte en uiteindelijk in de gevangenis.

Het was een dag als alle andere dagen. Niets leek erop dat deze dag mijn leven voor altijd zou veranderen. Het was een dag als alle andere dagen. Ken je dat gevoel? Dat iedereen je lijkt te vergeten en niemand echt om je lijkt te geven? Alsof je er niet toe doet?

En God? Maakt het nog wat uit om in God te geloven? Elke ochtend begon ik met een gebed aan God. Ik wilde God vasthouden. De God van mijn vader Jacob. Soms voelde ik me wanhopig worden, maar ik wilde daar beslist niet aan toe geven. Koppig begon ik iedere morgen opnieuw met een gebed.

Dank U voor deze nieuwe dag God – denk aan mij, vergeet mij toch niet.

De zon kierde al vroeg in de morgen naar binnen. Ik kon het ritme van de dag wel dromen. Ik hoorde de voetstappen van de bewaker al in de verte. Het rammelen van de sleutelbos aan de riem. Moet je opletten, ik kan gewoon aftellen: drie, twee, een.

Ja.

De bewaker geeft een schop tegen de voeten van de gevangenisbewaker die hij komt aflossen. Met een schok schiet de tweede bewaker overeind. Net als alle andere dagen is hij tegen het einde van de nacht in slaap gevallen. De Egyptenaren wisselen de gebruikelijke grappen uit. Ik  hoor de andere bewaker weglopen, een trage slepende tred. De zware stap van de eerste bewaker klinkt nu voor de deur. Hij zwaait de deur open en roept op barse toon naar de gevangenen.

Met een knikje met zijn hoofd nodigt de bewaker mij uit om mee te komen. Ik mag de bewakers helpen. En zo begint ook deze dag als alle andere dagen. Hoewel ik gevangen zit, heb ik het best goed voor elkaar. Door mijn vriendelijkheid hebben de bewakers en de medegevangenen respect voor mij. Op deze manier probeer ik toch iets van God te laten zien. Vriendelijk en dankbaar leven, en het beste ervan maken… De bewakers laten mij allerlei klusjes en taken doen en de gevangenen vertellen aan mij hun zorgen, hun verlangens, angsten en dromen.

Jozef 2

Dromen.

Ik weet het nog als de dag van gisteren. Die wonderlijke dromen van de bakker en de schenker van de Farao. Die droom van de bakker die vertelde dat het slecht met hem zou aflopen, omdat zijn bedrog aan het licht zou komen. En de droom van de schenker, dat hij weer in ere hersteld zou worden, omdat duidelijk zou worden dat hij onschuldig was. Ik weet zeker dat ik gelijk had – het was alsof God dat tegen mij had gezegd  Ik heb de schenker gesmeekt mij niet te vergeten. Maar ik heb niets meer gehoord.

Helemaal niets.

Zou het dan toch anders zijn afgelopen?  Nee. Hij is me gewoon vergeten. Wat een teleurstelling. Ik heb God nooit losgelaten, maar ik zit nog steeds hier. In de gevangenis. Onwillekeurig sla ik mijn ogen op. Ik zie door de spijlen de blauwe lucht. Hoelang was het geleden? Maanden? Jaren? Weken? In de gevangenis vergeet je gewoon de tijd. Opeens hoor ik snelle voetstappen. Ik  hoor de schelle stem van een jonge boodschapper.

‘Waar is Jozef? Hij moet gelijk bij de Farao komen!’

Ik schrik op uit mijn overpeinzingen Mijn hart klopt in zijn keel. Wat moet ik hier van denken? Wat is er aan de hand? De bewaker pakt Jozef bij zijn schouder.  ‘Kom, je moet bij de Farao komen. Hij vraagt naar je.’

Jozef 3

Hoe dit afloopt – dat lees je in het dagboekje van de kinderen van de Maranathakerk, met de lievelingsverhalen van Hendriëlla, Rick, Karlijn, Joost, Noortje, Roman, Kyra, Juul, Ruben,  Nilou, Kyamo, Mynke en Bastiaan.