Tag Archives: gemeente

“Ga niet in de wachtstand staan” Gemeente zijn in tijden van corona

29 okt

‘Het is logisch om plannen te maken hoe we straks weer terug kunnen keren naar de tijd van voor de corona’, betoogde ds. Annette Driebergen in de viering van afgelopen zondag (25 oktober 2020). ‘Maar vraagt deze coronatijd niet om bezinning en om een nieuw antwoord op de roeping van de gemeente’.

Esther Veerman - niet kunnen opstaan | Kunstwerk
Esther Veerman, Niet kunnen opstaan

Er zijn van die kerkdiensten die me raken en met mij meegaan. De dienst van afgelopen zondag was zo’n viering. We hadden ons thuis op de bank genesteld, kopje koffie erbij, kaarsje aan en de laptop aan op de stream van onze gereformeerde kerk (PKN) Sliedrecht. Annette Driebergen, predikante in Noordeloos stond stil bij de rede van Jezus waarin Hij zijn leerlingen erop uit stuurt. Leerlingen worden apostelen. (Het begin van Mattheüs 10).

Een aantal lessen neem ik mee uit deze inspirerende viering (de dienst is voorlopig terug te luisteren via kerkdienst gemist)

Het eerste is dat deze coronatijd een tijd van bezinning is. Die bezinning vindt overal plaats en leidt tot vernieuwingen en veranderingen. Dat is terug te zien in hoe we onze arbeid inrichten, hoe we nadenken over gezondheidszorg en in hoe we met onze vrije tijd omgaan. Die bezinning is ook in de kerk nodig. We zijn niet geroepen om in de wachtstand te gaan staan om ons voor te bereiden om terug te keren naar de tijd van voor de corona. Maar wat dan wel?

Dat is het tweede. Jezus stuurt zijn leerlingen erop uit om het goede nieuws van het Koninkrijk door te vertellen. De drijfveer is de bewogenheid van Jezus met de mensen om hen heen. Die ontferming, die bewogenheid of die compassie zet in beweging. Jezus stuurt zijn leerlingen erop uit. We zijn niet geroepen om stil te staan en achterom te kijken. Er is beweging naar Gods toekomst. Leerling van Jezus zijn betekent ook gezonden worden.

Het derde is dat de leerlingen bij name worden genoemd. Ze zijn gezien en gekend. En ze krijgen vertrouwen: nog zo kort geleden begonnen ze Jezus te volgen, maar hier worden ze al ‘apostel’ of ‘uitgezondene’ genoemd. Dat bij name genoemd worden en dat vertrouwen was niet alleen weggelegd voor de leerlingen van die tijd, maar mogen ook voor ons gelden.

Het vierde is dat de instructies over de weg die de leerlingen moeten gaan niet direct heel concreet en praktisch zijn. Het gaat meer over een levenshouding, een mindset. Die levenshouding komt voort uit het meeleven en bewogenheid met de ander. Dat leidt tot een houding ban openheid. Het gaat niet om dwang en overspannen actie of om overredingskracht. Nee, wat de leerlingen meenemen is ‘de vrede van Christus’. Dat gaat over een diepe rust, over houvast en vertrouwen. Dat gaat over aanvaarding, over gezien en gekend zijn door God. Het gaat over je bevrijd weten door Jezus Christus.

Van daaruit mag je gaan naar wie het horen wil en naar wie de deur voor je opent. Op die manier mogen we ambassadeurs van het Koninkrijk zijn.

Dat brengt me bij het vijfde punt. Als we zo onze identiteit durven verbinden met gezonden zijn, zullen we minder verlangen naar terugkeer naar wat we kenden (hoe terecht dat verlangen ook is en hoe waardevol die tijd ook geweest is), maar het aandurven om onbevreesd over onbekende paden te gaan om daar te zijn waar dat nodig is. Om mensen te vertellen van het goede nieuws, van de hoop dat het anders zal zijn, van de vreugde. Om stil te staan en stil te zijn bij wie verdriet heeft. Om vanuit bewogenheid naast en met de ander te zijn.

Tot slot. Jezus zegt tegen zijn leerlingen dat ze niets mee hoeven te nemen. Je neemt alleen jezelf mee en dat is genoeg. We hoeven niet eerst allerlei protocollen, plannen en schema’s te maken. We mogen gaan. Ga maar.

Dat vraagt moed en vertrouwen. We vinden onze moed in het gegeven dat we ons aangesproken weten door de liefde van Jezus. We vinden ons vertrouwen in het gegeven dat de Geest van God in ieder mensenleven werkt.

Hoe vinden we de weg op die onbekende paden? Het is Christus zelf die ons baken is.

Staat er nog een raam open?

12 dec

Deze weken zijn weken van vooruitkijken, van verwachten. Weken van voorbereiden op dat grootste en bijzondere feest: het feest van Gods omzien naar ons. Het feest van Gods bewogenheid met onze gebrokenheid en ons verlangen naar vrijheid en redding.

Het is goed om hier tijd voor te nemen. Tijd te nemen om na te denken over dat verlangen. Is het zo dat we uitkijken naar God? Is het niet vaker zo dat we verstrikt zijn geraakt in ons dagelijks leven. We staan op en gaan naar bed en in de tussentijd doen we onze dagelijkse bezigheden. Staat er nog een raam open? Een open raam om Gods licht binnen te laten vallen? Of leven we ons leven in het vaste ritme, afgesloten van verwondering en verlangen?

Afbeeldingsresultaat voor licht valt door het raam"

Om aan dat verlangen herinnerd te worden, om weer op het spoor van die verwondering te komen, is het van belang om elkaar te ontmoeten. Samen vieren helpt om het vuur brandend te houden.

We beleven en belijden ons geloof niet alleen in onze eigen huizen, in onze eigen levens, maar we delen die verbondenheid in het geloof ook in de kerkelijke gemeenschap. Soms wat meer aan de rand, soms wat meer richting de kern, maar wat ons samenbindt is de gedachte dat het heilzaam is om deel uit te maken van een gemeenschap.

Het is niet verwonderlijk dat de eerste christenen elkaar opzochten om elkaar te bemoedigen en te bekrachtigen. De kerk heeft als Lichaam van Christus zeggingskracht voor ons geloof. De gemeente komt samen rond het Woord. Om de gemeente als vindplaats van heil gaande te houden hebben we elkaar nodig: het onderlinge omzien en het onderlinge bemoedigen zetten de toon van de muziek. Dit onderlinge omzien is niet voorbehouden aan het pastorale team, maar is een opdracht en uitnodiging voor alle gemeenteleden. Laten we elkaar dragen in ontmoetingen en in gebed om zo samen ons verlangen te delen en om samen te verwachten.

Als de bron bitter is – over misbruik en de kerkelijke gemeente

2 nov

Afgelopen dinsdag 29 oktober 2019 mocht ik een workshop verzorgen op de studiedag van de PthU, SMPR en VPSG: Samen door de woestijn. Pastorale wegen naar heelwording na seksueel misbruik. Het Bijbelverhaal van de tocht van het volk Israël door de woestijn (Exodus) bood het kader van deze studiedag. Zelf had ik gekozen voor het verhaal van Mara, een oase in de woestijn met bitter water (Exodus 15, 22-26).

Te vaak hoor ik verhalen van mensen die te maken hebben (gehad) met seksueel misbruik, maar binnen een kerkelijke gemeente geen ruimte vinden voor hun verhaal. Soms is geen bron beter dan een bittere bron.

Wat is er nodig om als kerkelijke gemeente een levensbrengende bron te kunnen zijn? Het zit hem niet perse in het vermijden van woorden of noemen van situaties. Veel meer heeft het te maken met een nieuwe manier van kijken: met de ogen van het slachtoffer. Daarvoor is het nodig om meer te begrijpen van trauma.

IMG_20170807_192927

De keuze voor de Bijbeltekst

Gisteren was de documentaire ‘Niks aan de hand’ op de televisie. Als deze film één ding duidelijk maakt, is dat seksueel misbruik ingrijpend is en de rest van een leven kan bepalen. Misbruik is ook complex en pijnlijk. Miranda werd vanaf haar vierde levensjaar misbruikt door een negen jaar oudere neef, maar ze durfde niet over het misbruik te praten. Ze had 20 jaar therapie nodig om de traumatische ervaringen tot geschiedenis te maken. Als afsluiting van deze episode zocht ze – met de kijker als getuige – de confrontatie met haar neef.

Haar verhaal is helaas niet uniek. Met haar kampen vele vrouwen en mannen met de gevolgen van seksueel misbruik. Opmerkelijk is dat het misbruik vaak ongemerkt en over langere tijd plaats kan vinden en dat het vaak veel tijd vraagt om een weg te vinden om om te gaan met de traumatische ervaringen.

Uit verhalen van slachtoffers blijkt vaak dat niet alleen het misbruik zelf traumatiserend is, maar ook het proces om het misbruik te overkomen. De belangrijkste redenen zijn een gebrek aan inzicht in de dynamieken van seksueel misbruik en de weerstand om het probleem van misbruik echt onder ogen te willen zien.

De weerstand en het gebrek aan inzicht maken potentiële bronnen bitter.

Het pijnlijke in het Bijbelverhaal (Exodus 15, 22-27) het water van de oase waar zolang en zo dringend naar verlangd werd, bitter was. Die teleurstelling maakt een bittere bron moeilijker te accepteren dan geen bron.

Het opmerkelijke van het verhaal is dat genezing wordt gevonden in wat voorhanden is: een stuk hout. Het nodigt uit om naar onze geloofsgemeenschappen te kijken: waar verlangen slachtoffers naar? Wat maakt dat wij als bron bitter zijn? Wat hebben we voorhanden om tot een dorstlessende bron te worden?

Wat is een trauma?

Niet elke ingrijpende gebeurtenis wordt een trauma. Er is sprake van een trauma als het levensverhaal niet meer uitverteld kan worden. Er is als het ware sprake van een breukervaring. Voor de traumatische ervaringen zijn geen woorden of de ervaringen zijn losgeweekt van emoties. Vermijden is dan ook één van de kenmerken van trauma. Een trigger kan het slachtoffer echter zomaar weer terug brengen in de tijd van de traumatische ervaringen, met alle sensaties van toen, met de beleving van toen.

In haar traumatheorie beschrijft psychologe Janoff-Bulman hoe mensen hun leven leiden en verstaan. Voor de betekenisverlening maken ze gebruik van drie fundamentele uitgangspunten of kernnoties: de betekenisvolle samenhang van de wereld, de goedwillendheid van de ander en de waarde van de eigen persoon. Ons verhaal moet ongeveer overeenkomen met deze uitgangspunten om leefbaar te zijn.

Bij traumatisering is dit niet langer het geval waardoor de existentiële grond onder de voeten wegvalt en we geen woorden meer hebben om de betekenis en zin van ons bestaan uit te drukken.

Wat belangrijk is om in het achterhoofd te houden, is dat deze drie uitgangspunten ook een rol spelen in het nadenken over religie en het lijden: de betekenisvolle samenhang vinden we bijvoorbeeld terug in het spreken over leiding en almacht, de goedwillendheid in het spreken over de liefde (het toevertrouwen aan God en aan een ander), en de waarde van de eigen persoon geldt ook in het religieuze spreken.

Traumatisering verstoort deze uitgangspunten: het raakt aan God, het concept van liefde en aan eigenwaarde (zondig, of beter: hulpeloos maar schuldig).

Zonder bedding geen verhaal

Wie te maken heeft gekregen met seksueel misbruik heeft dus te maken met een krachtige interne dynamiek. Omdat het kader om het levensverhaal te vertellen is weggevallen, is het gewone van het leven ineens ingewikkeld geworden – zowel psychologisch als spiritueel. Die dynamiek (die niet aan de buitenkant af te lezen is) bepaalt mede wat de getraumatiseerde persoon hoort, ziet en ervaart.

In WOI leden veel soldaten aan shellshock. Die term werd echter pas later gangbaar. De soldaten hadden paniekaanvallen, verstijfden of vluchten. De legerleiding zag deze soldaten als lafaards en deserteurs. Ze werden gestraft en moesten dit soms met de dood betalen. Het gangbare verhaal in de samenleving was: soldaten zijn dapper en geven hun leven voor het vaderland. Voor het posttraumatische stresssyndroom was geen verhaal, geen taal en dus geen erkenning.

Willen slachtoffers hun ervaringen leren delen en ruimte maken voor de gevolgen van het misbruik in hun leven, hebben zij in de samenleving én in de geloofsgemeenschap verhalen nodig die hen helpen om hun eigen verhaal te vertellen. Dat is een van de belangrijkste winstpunten van de #metoocampagne.

Er moeten verhalen zijn om aan te spiegelen – zoals de negrospirituals de slaven hielpen om hun verstaan te begrijpen. Slachtoffers zijn soms zelf zo gewend aan de gevolgen dat ze dit niet meer opmerken als problematisch.

Zonder bedding ontbreekt het aan begrip en taal en zal elke geloofsgemeenschap op den duur als bitter water worden ervaren.

Het voordeel van zwijgen

Nu is niet elke geloofsgemeenschap bereid om die bedding te vormen. Het vraagt namelijk om kritisch naar het eigen klimaat en de eigen cultuur te kijken. Omstanders zwijgen omdat de prijs van erkenning is het doorbreken van de idylle van de veilige geloofsgemeenschap. Die idylle kan worden hersteld om een geïdentificeerde dader als zondebok uit te stoten of – en dat gebeurt meestal – door het verwijderen van het slachtoffer uit de gemeente. De omstanders zwijgen ook uit angst voor de beeldvorming: wat betekent dit verhaal voor de familie, de school, de sportvereniging, de kerk?

Wat daar bijkomt, is dat slachtoffers zelf ook zwijgen. Zij zwijgen uit (onterechte!) schaamte en vanwege de beschadiging die ze opgelopen hebben. Spreken doet zeer. Het raakt aan de pijn die ze proberen te vermijden.

Dat maakt het niet eenvoudig om slachtoffers aan het licht te brengen. Het onderstreept wel dat omstanders (de geloofsgemeenschap) de eerste stappen zal moeten zetten om de veilige ruimte te creëren waarbinnen verteld kan worden.

Waar hebben slachtoffers van seksueel misbruik behoefte aan?

Een klein onderzoek van een tijd geleden beschrijft een vijftal punten die bepalend zijn of het water van een bron bitter of zoet is. Om op adem te kunnen komen is veiligheid een eerste vereiste. Een tweede is erkenning: mag het verhaal er zijn? De documentairemaakster van Niks aan de hand was de eerste die aan Miranda vroeg hoe oud ze was, wat er gebeurde en wat het voor haar betekende. Luisteren is ook vragen durven stellen en aanwezig blijven. Een derde is het hervinden van de ruimte om de regie weer in eigen hand te nemen. Een vierde punt is verbondenheid. Slachtoffers leven vaak in een isolement (in ieder geval als het gaat om de episode van het misbruik). Medemenselijkheid, gemeenschappelijke taal en bewogenheid helpen om de verbondenheid vorm te geven. Tot slot is er de behoefte aan heelheid. De episoden moeten met elkaar verbonden worden tot één levensverhaal, voorbij het slachtofferschap naar menswording.

Wat zijn de mogelijkheden van de kerkelijke gemeente?

Creëer een bedding

Met het bovenstaande in het achterhoofd, is het allereerst van belang om te werken aan de bedding waarin verhalen van seksueel misbruik verteld kunnen worden. Aandacht voor misbruik kan nooit beperkt blijven tot het afvinken van voorwaarden: vertrouwenspersonen, een protocol, of een aanpassing in taalgebruik. Het gaat om het bespreekbaar maken van seksueel misbruik, om een verandering van het kerkelijk klimaat.

Het helpt om te vertellen dat je als voorganger en/of kerkenraad betrokken bent op dit thema. Schrijf een verslag van deze studiedag in het kerkblad en vertel wat je is opgevallen. Laat merken dat je oog hebt voor verhalen van geweld.

Maak ruimte opdat de ander iets zou kunnen zeggen. Doopgesprekken en huwelijkscatechese zijn bij uitstek geschikt om in te gaan op de vraag hoe je omgaat met teleurstellingen in en moeiten met elkaar. Huiselijk geweld vindt soms zijn oorsprong in machteloosheid. Seksueel misbruik kan binnen een gezin ontstaan door perverse compensatie van gemiste liefde.

Aandacht voor seksueel misbruik in gebed en in de preek helpt mensen om met hun verhaal naar voren te durven komen.

Benut de veelzijdige taal van de Bijbel

De kerkelijke taal maakt veel uit. Toch helpt het niet om bepaalde woorden maar niet meer te gebruiken of te vervangen. Wat voor de een een veilig woord is, is voor de ander bijzonder onveilig. Het gaat dus verder en dieper dan dat.

In veel kerken is de liturgische taal en de gebruikte theologie voor slachtoffers verwarrend en soms zelfs schadelijk, omdat het met name op daders gericht is. Een veel gebruikte orde is: verootmoedigingsgebed, genadeverkondiging en leefregel. Het is gericht op zondebesef, vergeving van schuld en het aanzeggen van de genade. Voor daders kan deze liturgische taal vergoelijkend werken: God heeft mij vergeven, ik kan verder met mijn leven.

Slachtoffers daarentegen voelen zich als gevolg van het misbruik minderwaardig en lijden onder het gebrek aan eigenwaarde. Vaak geven zij zichzelf de schuld van het misbruik, schamen zich voor wat gebeurd is en hebben een hekel aan zichzelf. De kerkelijke taal die hun wordt aangereikt is die van schuld en zonde. Het is een taal die past bij hoe zij zich voelen: zwart en slecht. De vergeving kan echter niet landen, omdat er geen sprake is van schuld. Binnen dit taalveld kunnen zij dit dus alleen maar vertalen naar meer schuld. Zij zijn zo zondig, dat zelfs Gods vergeving geen uitkomst biedt.

In zichzelf zijn ‘schuld’, ‘zonde’ en ‘vergeving’ waardevolle geloofswoorden, maar voor slachtoffers moet er een ander taalveld aangeboden worden: die van recht en gerechtigheid, van wraak en woede. Dit discours helpt om de ervaring van machteloosheid in een ander licht te plaatsen.

Bijbelverhalen als transformerende kracht

Bijbelverhalen kunnen binnen de eredienst en in het pastoraat helpen om levensverhalen opnieuw te vertellen en te zoeken naar hoe het verhaal ten goede gekeerd kan worden. Bijbelse grondmotieven zijn onder andere: het motief van (her)schepping, het exodusmotief, het exielmotief, het motief van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde.

‘God wees op een stuk hout’

Wat de bron zoet kon maken was allang aanwezig. Een stuk hout, maar bovenal de Geest van God. We hebben in onze gemeente de benodigdheden voorhanden om een dorstlessende bron te zijn. Het gaat in de eerste plaats om zien, luisteren, om erkennen. En ook in de tweede tot en met de achtste plaats. Erkennen. Het proces van een slachtoffer loopt niet synchroon met het proces van een dader of van de gemeente. Volg het proces van het slachtoffer. Leg uit aan omstanders wat misbruik met een mens doet.

Geef erkenning. Durf te vragen, durf jezelf ook te geven in het gesprek.

Dan komt er nieuwe existentiële grond.

Praat mee op weg naar de preek

26 jun

Zondag. Met de haast van de ochtend nog in het lijf zoek je een plek in de kerk. Misschien werd je uitgerust wakker, misschien was het een korte nacht. Maar je bent er. Tijdens het eerste gebed dwalen je gedachten af naar afgelopen week. Een akkefietje met je manager. Een mooie deal met een klant. Het ‘amen’ van de dominee roept je weer terug naar nu.

De lector loopt naar voren. De Bijbel gaat open en een tekst wordt voorgelezen. Je probeert het te volgen, maar de tekst roept vragen op. Wat betekent deze zin? Waarom lezen we deze tekst? Als de predikant aan de preek begint, heb je moeite om de lijn te volgen. Het stoort je dat je vragen niet terugkomen in de overdenking. ‘Waar ben ik in het verhaal?’ vraag je je af als je naar huis loopt.

Zondag. Vanochtend een kort rondje voor de honden. Ik wil graag vroeg in de kerk zijn. Afgelopen dinsdag ben ik met de voorbereidingen voor de dienst begonnen. De Bijbeltekst lees ik aandachtig door. Ik schrijf op wat de tekst me doet, welke vragen de tekst oproept. Iets later op de dag kijk ik naar de grondtekst en lees enkele commentaren op de tekst. Ik kies een spits waar omheen ik mijn betoog wil gaan schrijven. Deze spits helpt me om liederen te zoeken en zo stel ik de dienst samen. ’s Avonds gaat de liturgie naar iedereen die een taak heeft die zondag. De hele week gaat de tekst met me mee. In pastorale ontmoetingen. Tijdens het loopje langs de Merwede. Op de fiets. In de vergaderingen. De tekst rijpt en een preek wordt geboren. Zaterdag krijgt de preek vaste vorm. Het is te veel. Schrappen dus.

Ik slaap onrustig, maar kijk uit naar zondagochtend. Wat een voorrecht om de Bijbel te mogen uitleggen en om te mogen verkondigen.

Maar hier schuurt het dus. In de viering. De tekst die een week lang met mij is meegegaan, overvalt de meeste luisteraars. Mijn vragen bij de tekst zijn niet altijd de vragen van de mensen in de kerkzaal of van de thuisluisteraars. Dus heb ik nagedacht hoe we preek meer van samen kunnen laten zijn.

Graag wil ik u / jou uitnodigen voor het volgende experiment (en als het bevalt, gaan we ermee door): ik maak een appgroepje aan. In de appgroep meld ik 10 dagen van tevoren de preektekst en het thema. Je kunt de gedachten bij het thema en de tekst in de app plaatsen of privé aan mij appen. Deze informatie neem ik mee in het maken van de preek. Zo hoop ik dat de zondagse eredienst meer in ons dagelijks leven kan landen – en andersom.

Hoe doe je mee? Stuur een appje naar: [0]6 83663420 met: ‘Ik doe mee’ en je naam. Ik ben heel benieuwd naar deze samenwerking!

… die de gezinnen weer in de kerk brengt

1 mei

Soms tref je een artikel dat gedachten en gevoelens verwoordt die al langere tijd met je meegaan, maar wat je nog niet scherp hebt gekregen. Het artikel

When Churches Want a Pastor Who Can “Bring In Young Families”

is voor mij zo’n eyeopener.  De auteur Jan Edminston stelt scherpe vragen bij het motief waarom kerken zoeken naar voorgangers die jonge gezinnen aanspreken en weer in de kerk moeten zien te krijgen. Vaak is een van de belangrijkste reden om zich te richten op jonge gezinnen, dat een geloofsgemeenschap  geen toekomst heeft zonder nieuwe generaties. Het gaat dus om het voortbestaan van de gemeente en om het vinden van mensen die straks het vrijwilligerswerk voortzetten.

Welk motief?

In zekere zin wordt een geloofsgemeenschap hierdoor al minder aantrekkelijk. Jonge gezinnen zijn in bovengenoemde opvatting niet interessant om wie ze zelf zijn en wat ze zelf meebrengen, maar als redding van de gemeente.

Het is van belang om goed te kijken naar de reden waarom geloofsgemeenschappen zich richten op jonge gezinnen. Zou het niet uitmaken als we juist jongeren en jongvolwassenen willen helpen en ondersteunen om in een tijd waarin veel gebeurt, tijd en ruimte te blijven maken voor de ziel? Zou het niet een verschil maken als geloofsgemeenschappen zich zouden afvragen wat zij van deze jonge mensen kunnen leren? Of dat de gemeente verbondenheid, geloof en hoop te delen heeft?

Mogelijkheden

Waar gemeenten in zwaar weer écht behoefte aan hebben, zijn voorgangers die gebroken en gebutste mensen naar een thuis kunnen leiden. Gemeenten in deze tijd hebben behoefte aan voorgangers die de geloofsgemeenschap kunnen verbinden aan de culturele context. Daar waar de geloofsgemeenschap met beide benen in de culturele context staat, waar de boodschap gaat over het leven van alledag en de gemeente diaconaal present is, zijn jonge mensen aanwezig en betrokken.

De cultuur waarin we leven en ademen, is veranderd. Hoe kunnen we in die cultuur met ons geloof uit de voeten – die vraag zal leidend moeten zijn.

 

 

Oefenen in leven uit genade

6 jun

Onlangs was ik in gesprek met iemand die verzuchtte dat zijn kinderen (basisschoolleeftijd) met geen mogelijkheid meer mee te krijgen waren naar de kerk. Tenminste, niet zonder dwang en drang waardoor de zondag op zo’n moment alles behalve een dag van rust en vrede betekende. De vraag die op zaterdag gesteld en zondagochtend geschreeuwd werd was: ‘Waarom moeten we naar de kerk?’

Moeten we naar de kerk?

Deze vraag kwam de afgelopen weken op verschillende manieren aan de orde in verschillende gesprekken. Moeten we naar de kerk? Het is een vraag die veel ouders lastig vinden om te beantwoorden. Je moet groenten eten omdat dat gezond is. Je moet buiten spelen omdat dat goed is voor je lichaam en voor je sociale contacten. Je moet naar school omdat je later een baan kunt vinden die bij je past. Maar de kerk? Waar is die ook al weer goed voor? Daar komt bij dat voor ouders de betekenis van de kerk voor hun eigen leven misschien ook aan corrosie onderhevig is.

Spanning tussen ideaal en werkelijkheid

De kernvraag achter het ‘moeten’ is: waarom is de kerk er ook al weer? Overigens klinkt in het ‘moeten’ ook de vraag door wat ik er aan de kerk heb. Wat levert het mij op? Een vraag die hoort bij onze tijd en daarom ook meegenomen dient te worden in het antwoord.  Toch wil ik niet starten bij het individu, maar beginnen bij Apostolische geloofsbelijdenis

Wat namelijk opvalt, is dat deze oude belijdenis in het deel over de heilige Geest spreekt over de kerk: ik geloof in een heilige, algemene, christelijke kerk. Een gewaagde uitspraak, omdat de werkelijkheid vaak zo tegenovergesteld kan zijn: soms is de kerk in haar doen en laten onheilig, sluit het mensen buiten en laat het soms bitter weinig van Christus zien. Wonderlijk genoeg spreekt de Bijbel hoopvolle woorden over de kerk als geloofsgemeenschap. De kerk is een instrument, geen doel in zichzelf. God gebruikt mensen om iets zichtbaar te maken van zijn reddingswerk, de kerk als Gods bevrijdingsbeweging. Het is een voorpost van Gods Koninkrijk. Waar mensen zich geroepen weten en op weg gaan, daar ontstaat kerk.

Met vallen en opstaan

Met vallen en opstaan. Al vanaf het begin. In de eerste berichten in de Bijbel lezen we al van spanningen en ruzies in de gemeenten. Dat is de realiteit van de kerk: het uithouden in de spanning tussen ideaal en werkelijkheid. Zolang we rekenen met de heilige Geest, gebeuren er verrassende dingen. De kerk is immers allereerst ‘Christus met ons’.  Dat maakt dat we in de kerk steeds weer geraakt worden door hoop, bemoedigd door Gods genade – dat maakt dat de kerk een gemeenschap kan zijn die zich sterk maakt voor gerechtigheid.

Genade

De kerk is meer en breder dan de kerkdienst, hoewel de kerkdienst het meest zichtbare deel van de kerk is. Misschien is de kerk wel het meest ‘oefenen in leven uit genade’. Het vieren, gedenken en overdenken van Gods liefde in ons leven. In gebeden, in het breken van het brood. Gods genade die ons leert om onszelf te aanvaarden, om te groeien als mens van God. Gods genade die ons leert om los te laten en tot rust te komen. Gods genade die ons leert dat ons leven in zijn licht betekenis en kleur krijgt. Gods genade die ons aanspoort om uit te delen van onze gaven, van de ons geschonken genade. We delen het brood.

Ja!

Moeten we naar de kerk? Ja en nee. Ja! Leven uit Gods genade vraagt om oefenen. Het eerste dat gebeurde na het uitstorten van de heilige Geest, was het ontstaan van een grote gemeenschap: een nieuw volk van God tot heil van de volken. In die gemeenschap vinden we bemoediging, worden we opnieuw bepaald bij de diepte van Gods genade, worden we aangespoord om ons meer en meer te richten op Gods licht. In die gemeenschap leren we God te danken en te aanbidden.

Nee!

Maar de vraag is ook kritisch. Nee. Je moet niet naar de kerk, het is een uitnodiging. Ik gun het de ander. Misschien vind je in de kerk niet wat je zoekt, niet de ruimte om te oefenen in het leven uit genade. Dat vraagt om reflectie van kerkelijke gemeenten: zijn we nog oefenplaatsen?

 

 

De preek gaat de kerk niet redden

2 feb

Met een zekere regelmaat krijg ik preekvoorzieners aan de telefoon. Het is een verantwoordelijke taak. Zij moeten er voor zorgen dat er iedere zondag voorgangers de erediensten komen leiden. Het is lang niet altijd gemakkelijk om predikanten te vinden die de openstaande zondagen kunnen opvullen. Tegelijkertijd hebben ze ook nog te maken met een geloofsgemeenschap die liever de ene predikant hoort dan de andere. Preekvoorzieners zijn vaak bevlogen gemeenteleden die proberen om zorgvuldig een evenwichtig rooster samen te stellen.

preek

Ongemakkelijk gevoel

Inmiddels ben ik negen jaar predikant en heb in veel kerken mogen preken. Ergens bekruipt mij een ongemakkelijk gevoel. Het is een gevoel dat me sowieso kan overvallen als ik nadenk over de reden waarom we als plaatselijke kerk samenkomen. Als gastvoorganger komen de vragen soms scherper binnen. Wat doen we in de kerk? Waarom doen we wat we doen? We investeren in een gastvoorganger, maar wat brengt het de gemeente als geloofsgemeenschap? Wat is het belang van die preek? De meeste kerkgangers horen tijdens de kerkdienst de Bijbeltekst voor het eerst en hebben misschien niets met de vragen en gedachten die ik als voorganger aansnijd. Natuurlijk, we komen samen om geloof te delen, God de eer te brengen en iets op te doen wat mee zou kunnen gaan in de week die voor ons ligt.  Dat alleen al is van belang.

Ontmoeting 

Voor veel kerkelijk betrokken mensen is de kerkdienst een van belangrijkste gebeurtenissen voor hun geloof. De kerkdienst is de plek waar ontmoetingen plaatsvinden en waar mensen iets opdoen aan God. Tegelijkertijd moet ik echter ook constateren dat we weinig aandacht lijken te hebben voor gemeenschapsvorming. Het is goed zoals het is. We richten ons op de mensen die we kennen en samen ervaren we verbondenheid. Nieuwkomers vallen echter vaak buiten de boot. Als gastvoorganger merk ik soms grote verlegenheid om zich met mij te verhouden. Kerkenraadsleden praten onderling bij en ik wacht tot de dienst begint. (Ik zit hier verder niet mee, hoor. Ik kan goed voor mezelf zorgen en een gesprekje aanknopen. Ook stilte kan ik verdragen, geen zorgen!) Als dit bij mij al gebeurt, dan zal dit ook bij gewone gasten kunnen voorkomen.

Als voorganger zie ik overigens nog iets anders als het om ‘ontmoeting’ gaat. Protestanten lijken de wonderlijke gewoonte te hebben om vooral niet naast elkaar te gaan zitten. Ook zit de gemeente het liefst zo ver mogelijk af van de voorganger. Vindt er echt ontmoeting en gemeenschapsvorming plaats tijdens de eredienst? Of gaan kerkgangers eenzamer naar huis dan ze gekomen zijn?

Ontmoeting met God

Het andere punt – de ontmoeting met God – zet mij ook aan het denken. Als ik naar de ontwikkelingen in de verschillende geloofsgemeenschappen kijk, dan moet ik constateren dat het ons niet lukt om de nieuwe generaties enthousiast te maken om zich te verbinden aan de kerk. Veelal is er sprake van een beweging waarin ouders losser komen van de kerk en haar gebruiken, waarna de kinderen zich uiteindelijk laten uitschrijven. Een andere trend is dat trouwe kerkgangers steeds minder (Bijbel)kennis bezitten.

Rust in Gods ruimte

Het is goed om te bedenken dat de mensen die er zijn. gekomen zijn om iets van rust te ervaren. Niets moeten, gewoon er mogen zijn in de ruimte van God. Daar wil ik niet aankomen. Dat is kostbaar.

Krakende kerk

Ondertussen kraakt de kerk in haar voegen. En ook dat is niet erg. Het biedt mogelijkheden en kansen. Het nodigt uit om ons opnieuw te bezinnen op de vraag waarom we als geloofsgemeenschap samenkomen. Om na te denken over de vraag voor wie wij kerk mogen zijn. Het biedt de ruimte om na te denken over hoe we zelf weer aangesproken worden door het evangelie en hoe we voor anderen van betekenis kunnen zijn. Het is niet erg dat de kerk kraakt. Als we maar niet doen alsof het allemaal goed komt. Een goede preek gaat de geloofsgemeenschap niet redden, maar daar is de preek ook niet voor bedoeld. Met mijn ongemakkelijke gevoel zal ik blijven preken.

Het is echter ook tijd om te zoeken en te verkennen. Om elkaar weer te leren kennen, inspiratie te delen en te groeien in geloof, hoop en liefde. De geloofsgemeenschap als oefenruimte van de Geest. Ik open het raam – de wind steekt op!

‘De veelkleurige gemeente’: verlegenheid of visie

13 sep

Morgen, zondag 14 september is het startzondag in de Ontmoetingskerk te Vriezenveen. In deze viering staan we stil bij het begin van het nieuwe seizoen: er staan allerlei activiteiten op stapel. De clubs, de pastorale ontmoetingen, de catechisaties, vergaderingen, activiteiten van Vorming en Toerusting, cursussen – de Ontmoetingskerk is een levende gemeenschap waarin vele vrijwilligers met inzet, tijd en energie de activiteiten vorm geven.

Wat bindt ons samen?

In de viering gaat het over de vraag wat ons samenbindt. Er is immers in de loop van de afgelopen decennia veel veranderd in onze gemeente. We lezen de Bijbel met ruimte, waardoor we soms ook op verschillende manieren ons geloof vorm geven. Sommigen voelen zich thuis bij de traditionele liturgische traditie, anderen zouden meer liturgische elementen in de eredienst zien terugkomen, weer anderen zouden meer aansluiting willen bij de huidige cultuur: andere muziek, nieuwe liederen. Achter deze voorkeuren gaan vaak verhalen schuil die iets vertellen over onze relatie met God. Het is daarom van wezenlijk belang om het kwetsbare gesprek over onze diepste grond, over de kern van ons geloof is noodzakelijk om elkaar blijvend te leren kennen en om te groeien in verbondenheid.

veelkleurig

Grijs en vrijblijvend?

Geloofsgemeenschappen zoals de Ontmoetingskerk omschrijven zich vaak als ‘veelkleurig’. Het is een woord dat de nadruk wil leggen op de ruimte die er is voor verschillen. Een woord dat een identiteit probeert te omschrijven waarin ruimte en vrijheid wezenlijke elementen zijn. Wat mij opvalt, is dat het spreken over ‘de veelkleurige gemeente’ soms ingegeven is door verlegenheid. Het is niet zozeer een bewuste keuze waar een visie achter schuil gaat, maar meer een constatering van wat er in de gemeente gebeurt. Het risico is dan dat de gemeente niet écht veelkleurig is, maar grijs (waar staan we eigenlijk voor?) en vrijblijvend (als je niet mee wilt doen, is natuurlijk ook goed). Soms durven mensen in veelkleurige gemeenten amper uit te komen voor de manier waarop zij geloven, uit angst voor afwijzing of onbegrip.

Veelkleurig vraagt om inzet

Veelkleurigheid kan in mijn beleving wel degelijk een heldere omschrijving van de identiteit van de gemeente zijn. Wel is het van belang om te bedenken dat deze identiteit vraagt om meer inzet dan een identiteit rond één bepaalde kleur. Het vraagt van ons om ons eigen gelijk los te durven laten, om ons te laten aanspreken, om uit het vertrouwde weg te trekken. God laat zich in de Bijbel niet vangen in één beeld – dat was de kern van de zonde van het gouden Kalf.  God heeft zich bekend gemaakt als ‘Ik ben’ – een Naam die gaandeweg op ons levenspad inhoud krijgt.

Een veelkleurige gemeente komt tot leven wanneer de verschillende kleuren aan het licht mogen komen. Veelkleurigheid krijgt betekenis wanneer we de dialoog zoeken en oprecht geïnteresseerd zijn in de vormen en de geloofsinhoud van de ander.

Niet oordelen

Paulus spreekt in Romeinen 14 ook over ruimte voor verschillende manieren om vorm te geven aan geloof. Wat opvalt zijn drie zaken: Paulus bindt ons op het hart om niet te oordelen. Juist van mensen met een sterk geloof mag verwacht worden dat zij hun best doen om mensen met een zwak geloof ruimte te geven en hen te leren begrijpen. In de tweede plaats worden we uitgenodigd om te leven vanuit verwondering. Wanneer we met de ander in gesprek gaan, kan het zo maar zo zijn dat we verrast worden door onderliggende motieven. Als we het oordeel loslaten, ontstaat er ruimte voor verwondering. Tot slot worden we uitgenodigd om te leren, zodat we kunnen groeien in verbondenheid met elkaar en met degene rond wie we bijeenkomen: Jezus Christus die ons de goede boodschap van het Koninkrijk verkondigt.

In een veelkleurige gemeente mag deze rijkdom gevonden en gedeeld worden: geloof, hoop en liefde. Door te vieren zijn we met elkaar verbonden.

Thuis komen

18 feb

De eerste werkweek in dienst van de Ontmoetingskerk in Vriezenveen in begonnen. Zo kort geleden nog waren we nog thuis en actief op ’t Harde. Het loopje naar de Boni, even op het bord in de kerk kijken of ik nog vergaderingen aan het vergeten ben, het aanbellen op vrijdag of we de auto even van de oprit willen zetten voor de koelwagen van de Voedselbank (sorry, weer vergeten), het rondje met de hond langs de Dennenweg en Eikenlaan – vertrouwd en gewoon. En dan heb ik het nog niet eens over al die mensen waardoor we ons op ons gemak voelden in ’t Harde. Gemeenteleden, buurtgenoten, mensen die op mijn pad kwamen, vrienden en kennissen – ’t Harde is een dorp vol bekenden.

Als ik eerlijk ben, zag ik dan ook behoorlijk op tegen het afscheid en het nieuwe begin. Afscheid nemen van mensen die je lief en dierbaar zijn geworden. Afscheid nemen van een plaats die vertrouwd is, waar mensen mij kennen en ik de mensen ken. Ik weet wat ik heb, en waar ik op kan rekenen – en dan aan iets nieuws beginnen in een plaats waar ik niemand ken. Sterker nog, ik wist geen eens waar Vriezenveen lag…

home

Terugkijkend is het echter verrassend verlopen. Eigenlijk voelden we ons al direct thuis in Vriezenveen. Natuurlijk – we hebben als gezin deze stap gezet, en in onze onderlinge verbondenheid en liefde, wortelt ons thuisgevoel. Maar er is meer over te zeggen. Op 30 januari reden we de oprit op van ons nieuwe huis. De vlag hing uit, een spandoek met ‘welkom’ stond in de tuin, de koffie was al klaar. Een team van tientallen vrijwilligers had in de weken daarvoor hard gewerkt om ons huis op te knappen. Uit de inzet, inspanningen en plezier van de vrijwilligers sprak zoveel liefde, dat we ons opgenomen voelden in de gemeenschap van de Ontmoetingskerk. Het was de liefde van die vrijwilligers in de weken voorafgaand aan onze verhuizing, die het mogelijk had gemaakt om met aandacht afscheid te kunnen nemen van ’t Harde. Het was ook de liefde van de mensen uit ’t Harde die ons de ruimte gaven om te kunnen gaan, zodat we ook los durfden laten. Misschien is dat wel de grootste en moeilijkste opgave van liefde: durven loslaten, in het vertrouwen dat de ander op eigen kracht de weg kan gaan – gedragen door de zegen.

We ervaren dit als een groot geschenk. Als genade. Dat we zo al snel thuis mogen komen in ons nieuwe huis. Het is een ervaring die ruimte maakt om met vertrouwen op weg te gaan naar de toekomst. Een fundament om rust en vrede te ervaren. Ik realiseer me ook dat thuiskomen helemaal niet vanzelfsprekend is. Soms kun je door onrust in jezelf vervreemd zijn geraakt, of door ervaringen van verlies vreemdeling geworden in je eigen leven.

De Bijbel spreekt op een bijzondere manier over thuiskomen – dat is uiteindelijk Gods grote verlangen. Dat we thuis mogen komen in zijn Koninkrijk. Een hoopvol perspectief dat straks ten volle werkelijkheid zal worden. Maar ook nu al kan dat Koninkrijk oplichten. Paulus schrijft dat we burgers zijn van dat Koninkrijk. Het overstijgt al onze verschillen en onze beperkingen. Een verbindend Rijk. En wat het mooiste is: hét kenmerk van dar Koninkrijk is de liefde (1 Kor. 13). Daar waar uit liefde wordt geleefd, waar liefde wordt gedeeld, waar mensen niet voor zichzelf leven, maar ten dienste van God en de ander, waar liefde mensen weer in hun waarde herstelt, daar wordt iets zichtbaar van het Koninkrijk.  Dat is wat we geproefd hebben in ’t Harde en in Vriezenveen. Een liefde waarin iets oplicht van Gods Koninkrijk. Dan kun je thuiskomen – zowel in ’t Harde als in Vriezenveen.

We zijn dankbaar voor de liefde die kenmerkend is voor de gemeenschap van de Ontmoetingskerk in Vriezenveen. Het maakt dat we ook met vertrouwen naar voren kunnen kijken, Want we zijn thuisgekomen.

Waar hebben mensen die slachtoffer zijn geworden van seksueel geweld behoefte aan – deel II

8 feb

(Dit artikel, dat is verschenen in Praktische Theologie 2000/3, heb ik in twee delen geplaatst. Het eerste deel vind je hier. )

Vijf fundamentele pastorale behoeften

1. Veiligheid

In het verhaal van Els valt op hoe angstig zij is. Deze angst komt voort uit een voortdurend aanwezig gevoel van onveiligheid. De onveiligheid in hun leven heeft betrekking op verschillende dimensies van mens-zijn. In de eerste plaats is de lichamelijke integriteit en veiligheid aangetast door het geweld. Het slachtoffer is door het geweld de controle over haar / zijn lichaam kwijt. De onmacht die tijdens het misbruik wordt ervaren, blijft het slachtoffer achtervolgen, ook wanneer de misbruikende relaties beëindigd zijn. Door de ervaren onmacht en door het verlies van controle over de eigen lichamelijke integriteit, ontstaat een blijvend gevoel van angst dat voortkomt uit het gevoel van onveiligheid.

In de tweede plaats hebben slachtoffers het vertrouwen in de medemens verloren. In 80% van de gevallen is de dader een bekende van het slachtoffer, iemand die door (de ouders/verzorgers van) het slachtoffer wordt vertrouwd. De gevolgen van dit verraden vertrouwen kunnen ernstig zijn. Ook kan het zijn dat het slachtoffer nooit de kans heeft gehad om vertrouwen te krijgen in anderen, omdat zij/hij al vroeg in de kindertijd te maken heeft gehad met seksueel geweld. De onmogelijkheid om anderen te vertrouwen levert een voortdurende dreiging op. Angst is de emotie die hoort bij het gevoel van onveiligheid.

In de derde plaats kan het seksueel geweld gevolgen hebben voor het geloofsleven. De interpretatie en het gebruik van religieuze teksten kunnen ten dienste hebben gestaan van de legitimatie van het geweld. Het misbruik van de Bijbel en de traditie laat overigens een ongemakkelijke kant zien. Sommige Bijbelgedeelten weerspiegelen immers de culturele waarden en normen van een tijd waarin door patriarchale opvattingen een klimaat heerst waarbinnen zwakkeren en machtelozen gemakkelijk tot slachtoffer kunnen worden gemaakt.

“Ik was bang dat ik gestraft zou worden, dat ik in de hel zou komen. Dat werd me ook heel vaak verteld. Altijd dat bestraffende vingertje. Zo zag ik God. Denk erom dat je niet je mond opentrekt, want dat mag niet. Daar zorgde mijn vader ook wel voor: want God straft. En: eer je vader en je moeder.” (Dorcas)

 “God was ook heel eng. Hij heeft ook alles gezien. Dus ik heb alles verkeerd gedaan. Ik dacht toen niet: mijn vader heeft het verkeerd gedaan. Mijn moeder heeft het verkeerd gedaan.”(Rianne)

 “Dat God alles ziet, en dat God dus ook verkeerde dingen straft. Dus al zag je vader of moeder het niet, dan zag God het wel. En dat was geen aardig iemand. Hij gaf ook nooit complimenten. Die kreeg ik trouwens ook nooit van mijn ouders – in feite was God een verlengstuk van mijn ouders. Mijn vader met name. Want als mijn vader dingen zag die verkeerd waren, dan werd ik gestraft. Nou, als God dingen zag die verkeerd waren, dan werd ik ook gestraft. “(Mieke)

Het gevoel van onveiligheid lijkt sterk bepalend, waardoor de behoefte aan veiligheid groot is. Wanneer een pastor een pastorale relatie aangaat met een beschadigd en bedreigd mens, zal (het werken aan) het herstellen van veiligheid prioriteit hebben. Het gevoel van onveiligheid komt voort uit de ervaring en de dreiging dat mensen onbetrouwbaar zijn. Het terugwinnen van het vermogen om te vertrouwen is uiteindelijk het middel om veiligheid te kunnen ervaren. De pastor zal in zijn/haar afspraken betrouwbaar moeten zijn: zeg niets toe wat je niet waar kunt maken, en maak waar wat je toezegt. Daarnaast zal het gesprek plaats dienen te vinden in een ruimte waarin dreiging afwezig is. Verheule (1997 Angst en bevrijding. p.372-274) spreekt van ‘pastoraat als ontmoeting zonder terreur’, of: ‘pastoraat als terreurvrije ruimte. ‘Hij omschrijft als een begrensde ruimte, waarbinnen veel mogelijk is. De pastor beschermt de pastorant(e) en is verantwoordelijk voor het bewaken van de grenzen van haar/hemzelf alsmede de grenzen van de gesprekpartner.

Een terreurvrije ruimte betekent ook dat de pastor werkelijke aandacht geeft aan de pastorante, waardoor het gesprek niet verstrikt zal raken in verborgen verwachtingen of vrijblijvendheid. Deze aandacht houdt in dat de pastor zowel naast als tegenover de pastorant(e) wil staan. Deze terreurvrije ruimte betreft al het handelen van de pastor: het gaat zowel over het pastorale gesprek als over de invulling van de eredienst.

geborgenheid

2. Ruimte

In het verhaal van Els werd zichtbaar haar herstel en  groeien samenhing met het krijgen van ruimte. Het was voor haar van wezenlijk belang dat zij ‘toestemming’ van haar predikant kreeg om de ruimte van (on)geloof te ontdekken. De behoefte aan ruimte (waardoor de autonomie van het slachtoffer een plek kan krijgen) is afgeleid van de ervaringen van afhankelijkheid aan autoriteiten en meer-machtigen. De afhankelijkheid en machteloosheid werd vooral binnen het gezin beleefd, waar de verzorgers absolute macht konden uitoefenen.

Gedeeltelijk werd deze uiterste afhankelijkheid ook op het religieuze vlak beleefd. Met andere woorden: binnen de religie is het zeer goed denkbaar dat slachtoffers zich opnieuw uitleveren aan een ander of Ander. Hierdoor worden zij in hun passiviteit gestimuleerd en bevestigd in hun slachtofferrol.

‘Kinderen zijn afhankelijk van hun ouders. Die moet je kunnen vertrouwen. Maar seksueel misbruik heeft alles te maken met niets waard zijn, maar doén met kinderen. Heel erg afhankelijk zijn, overgeleverd zijn, daar heeft het mee te maken. En er niets tegenin kunnen brengen. Dus als je het hebt over overgave, of dat nu aan een vriend of vriendin is, of aan God, dan geeft dat problemen.’ (Yvonne)

Een slachtoffer was tijdens de traumatische ervaring machteloos. Deze ervaring van onmacht kan in het verdere leven van het slachtoffer een beklemmende en belemmerende werking hebben. In een pastoraal contact zal de pastor voortdurend erop gericht moeten zijn om de autonomie van de pastorant(e) te bevestigen, te ondersteunen en op te bouwen. Ook wanneer de gesprekken gaan over zelfdoding, is het van belang om te blijven geloven in de autonomie van de ander.

De behoefte aan ruimte betekent dat het slachtoffer op zoek gaat naar haar/zijn eigen interpretatie van betekenisverlening of eventueel van geloof – de ruimte om dit zelf te mogen onderzoeken en te bepalen ondersteunt in belangrijke mate de autonomie.

3. Erkenning

De vraag of haar herinneringen op waarheid berustten, heeft Els voortdurend beziggehouden. Haar hele bestaan lijkt gecentreerd rond de vraag: geloof je mij? De behoefte aan erkenning is bij slachtoffers groot, omdat hun bestaan van deze behoefte lijkt af te hangen. Serieus genomen worden, geloofwaardig geacht worden, helpt om het verleden onder ogen te zien en om aan herstel en eigenwaarde te werken.

Soms kan er sprake zijn van een dilemma, omdat een pastor niet weet of het waar is wat een pastorant(e) vertelt. Dit kan samenhangen met een inconsistent verhaal van het slachtoffer, een tegenovergesteld verhaal van de vermeende dader, of ongeloof van de pastor. Dat een verhaal van een slachtoffer inconsistenties kan bevatten, is niet verwonderlijk. Door dissociatie en verdringing worden ervaringen eerst door triggers en nachtmerries teruggegeven. Het toe-eigenen van het levensverhaal is vaak een lange weg.

De erkenning van het slachtoffer van seksueel geweld heeft .een politieke dimensie. Wanneer een pastor oog heeft voor de grote omvang van seksueel geweld en daarin de maatschappelijke en politieke structuren herkent die dit mogelijk maken, herkent en benoemt, kan dit een slachtoffer helpen haar eigen verhaal als betrouwbaar te ervaren. Dat betekent dat een pastor ook kritisch is op de eigen traditie, oog heeft voor gendervraagstukken en machtsverhoudingen.

Een logische consequentie van het tegemoet komen aan de behoefte aan erkenning is dat nadrukkelijk gekozen wordt voor het slachtoffer en de daden van de pleger als onrecht aan de orde worden gesteld. Erkenning vraagt dus om geloof te hechten aan het slachtoffer en te streven naar gerechtigheid.

‘Want als je je mond dichthoudt en er niks over zegt, is er toch ook niks aan de hand. Dan zijn wij één grote gelukkige familie. Terwijl dat één grote leugen is.’ (Yvonne)

De nadruk op gerechtigheid lijkt op gespannen voet te staan met het spreken over vergeving. Voor velen ligt juist bij vergeving het zwaartepunt van de christelijke traditie. De vraag dient zich aan wie er belang heeft bij vergeving. Wanneer er in een situatie van seksueel geweld gesproken wordt over vergeving, is dit eerder de wens van de omgeving of van de dader dan van het slachtoffer. In dat geval heeft het er alle schijn van dat alleen de dader iets te winnen heeft bij vergeving.

Vergeving kan echter ook beschreven worden van het slachtoffer en betrokken worden  op het genezingsproces. Vergeving is dan het loslaten van de voortdurende aanwezigheid van het trauma (M.M. Fortune, 1995, The transformation of suffering: a biblical and theological perspective. In: Adam and Fortune Violence against women and children) De voortdurende en directe herinneringen aan het geweld houden de angst in stand en beperken de mogelijkheden. Feitelijk gaat het seksueel geweld door zolang de herinneringen aan het misbruik de overhand hebben. Door haat en bitterheid blijft het slachtoffer verbonden met de dader. Vergeving kan een manier zijn om afstand te nemen van de passieve slachtofferrol, zodat het slachtoffer verder kan met haar leven. Vergeving is een bevrijdende actie van en voor het slachtoffer, waardoor zij/hij de autonomie herstelt. Het is voor een slachtoffer van belang om het trauma los te kunnen laten en de verbondenheid met de dader (haat en bitterheid creëert een ongewilde verbondenheid) door te snijden. Vergeving kan hiervoor een middel zijn, maar is zeker niet de enige mogelijkheid. Soms is het slachtoffer zo beschadigd en gekwetst dat spreken over vergeving altijd een brug te ver zal blijken.

‘Ja, ik wil wel vergeven, maar ik kan het eenvoudig niet. Ik bedoel: ik herbeleef nog regelmatig die dingen die toen met mij gebeurd zijn. En dan beleef je dat gewoon lichamelijk. Als ik dat beleef – ja, sorry, hoor, maar dan ik niet – … dan ben ik niet vergevingsgezind op dat moment. Ik kan dan niet vergeven.’ (Ans) 

Vergeving is niet gelijk aan vergeten. Vergeving gaat samen op met gerechtigheid. Vergeving betekent erkenning van het aangedane leed, daar heeft het slachtoffer recht op. Tegelijkertijd betekent het dat het slachtoffer het recht heeft om af te zien van wraak of vergelding. (R.R. Ganzevoort, 1999, Verzoening na conflicten). Omdat voor gerechtigheid, vergeving en genezing het zwijgen doorbroken dient te worden, is dit niet alleen de verantwoordelijkheid van het slachtoffer of de dader, maar ook van de omstanders.

4. Warmte

Els leidde als kind een teruggetrokken en geïsoleerd bestaan. Door het geschonden en verraden vertrouwen was het voor haar lange tijd niet mogelijk om geborgenheid of troost te vinden of te ontvangen, terwijl ze dit juist zo hard nodig had. Veel slachtoffers ervaren eenzaamheid. Wanneer een kerkelijke gemeente als een betrokken gemeenschap functioneert, kan zij een belangrijke rol spelen op verschillende momenten in het proces van herstel van slachtoffers.

‘Ik denk toch dat ik een stukje steun, een stukje erkenning zocht. Ergens bij willen horen, of kunnen horen. Want op dat moment had ik gewoon bijna niemand. Daarom ging ik naar de kerk. Maar niemand zocht contact met mij. Toen voelde ik me dus veel eenzamer dan dat ik in mijn eentje was. Ik kwam gewoon steeds heel teleurgesteld thuis. En dan vanuit de kerk – dat zijn toch mensen die hart hebben voor de ander, die meer open staan. Tenminste dat denk je dan. En dat is gewoon niet gebeurd.’(Mieke)

Het isolement van een slachtoffer is het gevolg van verschillende processen. In de eerste plaats kan het isolement een gevolg zijn van loyaliteit aan de dader. Vaak is de dader een bekende van het slachtoffer, en is er sprake van een vertrouwensband. De prijs voor het verbreken van die vertrouwensrelatie is hoog: verlies van contacten, een onzekere toekomst. In de tweede plaats hebben omstanders (zowel in de kerk als in de samenleving) er belang bij om het verhaal niet te horen. Wanneer verhalen over seksueel geweld waar blijken te zijn, wordt de illusie van een veilige gemeenschap doorgeprikt. In de derde plaats is het isolement een gevolg van het overheersende wantrouwen van slachtoffers in medemensen. Door het geschonden en verraden vertrouwen door  mensen die dichtbij stonden, kan wantrouwen een tweede natuur worden. Het belangrijkste instrument om het isolement in stand te houden is het zwijgen: van de omstanders, de plegers en de slachtoffers.

Het doorbreken van het isolement en het bieden van geborgenheid (gezien en gehoord worden, er mogen zijn, troost ervaren) komen tegemoet aan de behoefte aan warmte. Hierin kan een kerkelijke gemeente een belangrijk verschil maken door slachtoffers met hun verhaal en hun pijn in haar midden op te nemen. De warmte van nabijheid en het vuur van verzet tegen onrecht kunnen de koude uit een eenzaam hart verdrijven. Het is belangrijk dat slachtoffers een taal aangereikt krijgen, waarin z/hij uitdrukking kan geven aan de ervaringen van geweld.

5. Heelheid

Het seksueel geweld heeft bij Els diepe sporen nagelaten. Ook na jaren van intensieve therapie weet zij dat bepaalde gevolgen altijd met haar mee zullen gaan. Toch pakt zij de draad van haar leven weer op, met haar man en kinderen. Het verlangen naar totale genezing, naar heelheid, zal altijd aanwezig zijn. De behoefte aan heelheid is dus ontleend aan de ervaringen van gebrokenheid . Doordat iemand de lichamelijke integriteit van een ander geweld aan doet, wordt niet alleen het lichaam, maar ook de ziel van een mens beschadigd. De gevolgen zijn dan ook terug te vinden op het lichamelijke, psychische, sociale en religieuze vlak.

‘Het misbruik heeft mijn eigenwaarde totaal verkreukeld. Ik was niks en werken kon ik niet. Eigenlijk kon ik niks. Het heeft jaren geduurd. En er over praten kon ook niet, want dan zou ik kapot gemaakt worden. Hij heeft mijn leven gewoon verknoeid. Het heeft mijn leven gewoon verknoeid.’ (Ans)

Om tegemoet te kunnen komen aan de behoefte aan heelheid, is het van belang om niet stil te blijven staan bij het slachtofferschap, maar de pastorale ontmoeting te plaatsen in het perspectief van menswording. H.Luther (Religion und Alltag. Bausteine zu einer Theologie des Subjekts, 1994, p. 170) spreekt in dit verband van een ‘fragmentarische identiteit’. Met dit begrip doelt hij op het verwijzende karakter van identiteit. Fragmenten ontlenen hun kracht aan de verwijzing naar heelheid en eenheid.

Het serieus nemen van de behoefte aan heelheid houdt in dat ook de gebrokenheid een plaats wordt gegeven. De fragmentarische identiteit biedt ruimte voor rouw, hoop en liefde. Dit in tegenstelling tot een identiteitsconcept dat uitgaat van een afgeronde of volle identiteit. De ontwikkeling van identiteit gaat immers niet alleen gepaard met groei en winst, maar ook met breuken en verlies. Fragmenten bieden ruimte aan rouw en verdriet. Vooral in crises wordt dit gegeven ervaren. Daarnaast is er in elk stadium van de identiteitsontwikkeling sprake van ‘steigers van de toekomst’. Er is het besef dat het proces nog niet af is. Tegenover verstarring staat het verlangen naar verdere groei. In die zin biedt het spreken over fragmenten ruimte aan hoop. Tot slot is er in elk stadium van de ontwikkeling van de eigen identiteit een dynamische wisselwerking met de ander. Door elke ontmoeting met de ander wordt de eigen identiteit opnieuw uitgedaagd vanwege de ervaring van verschil met die ander. Met dit gegeven biedt een fragmentarische identiteit ruimte aan liefde.

In deze betekenis transcendeert ‘fragment’ dus op drie vlakken: naar het verleden, naar de toekomst en naar de ander. Naast het transcenderende aspect is ook in het verlangen naar heelheid zelf de religieuze dimensie van identiteit gelegen.

Eén geheel

Deze vijf behoeften vormen samen één geheel. Elk van de behoeften veronderstelt de andere behoeften. Een kerkelijke gemeente die de ervaringen van geweld van gekwetste mensen niet accepteert, kan niet voldoen aan de behoefte aan warmte. Als er niet voldaan wordt aan de behoefte aan veiligheid, kan niet gewerkt worden aan de behoefte aan heelheid. Met andere woorden: de behoeften vormen een ‘totaalpakket’. Als één van de behoeften niet wordt gehoord, kan ook niet optimaal voldaan worden aan de andere behoeften.

Tegelijkertijd zijn het behoeften die binnen onze mogelijkheden liggen: de mogelijkheden van de kerkelijke gemeente en van ons als medestanders. Het vraagt om een open houding en het uithouden bij de verhalen die gekwetste mensen met zich meedragen. Veiligheid, erkenning, ruimte, warmte en heelheid. Als de gekwetste medemens er mag zijn met haar/zijn verhaal, is dat een wereld van verschil – een opening naar nieuwe ervaringen.