Tag Archives: kinderverhaal

Een mandje op de Nijl

5 mei

(Bij mijn afscheid van de Protestantse Gemeente ‘t Harde mochten de kinderen hun lievelingsverhaal uit de Bijbel kiezen. Dit is de keuze van Ninet)

Beste Ninet, wat gaaf dat jouw lievelingsverhaal het verhaal van de geboorte van Mozes is. Het is echt een bijzonder verhaal. Luister maar:

‘Je bent een wonder, weet je dat?’ Mozes zit op een boomstam tussen zijn broer Aäron en zijn zus Mirjam. Ze zitten stijf tegen elkaar aan. Mozes laat zijn benen lekker bungelen. Aäron springt op de grond, zoekt een plat steentje en kaatst het steentje over het water. Drie, vier keer stuitert het steentje, voordat het in de Nijl verdwijnt. Aäron draait zich om en kijkt Mozes in de ogen. Hij kijkt ernstig. ‘Je bent een wonder, Mozes, dat mag je nooit vergeten’.  Mirjam slaat haar arm om Mozes heen, en aait hem over zijn bol. Geen springerige Joodse krullen, maar kaalgeschoren, zoals de gewoonte was bij Egyptische prinsen.

Mozes legt zijn hoofd tegen de schouder van zijn zus. ‘Wil je het nog een keer vertellen, Mirjam?’

Mirjam glimlacht. ‘Natuurlijk’. Het is dan ook zo’n mooi verhaal. Nou ja, mooi. Het is ook een verdrietig en pijnlijk verhaal. ‘Je weet dat de Egyptenaren ons, Israëlieten, niet kunnen uitstaan. Misschien zijn ze eigenlijk bang voor ons en proberen ze daarom ons het leven zuur te maken. Dat is niet altijd zo geweest. Heel lang geleden werden we met open armen ontvangen omdat onze voorvader Jozef zowel de Egyptenaren als ons had gered. (Dat verhaal vertel ik je nog een ander keertje, goed?) We mochten in een prachtige landstreek in Egypte wonen. We waren goede buren voor elkaar en waren gelukkig. In de loop van de jaren begonnen de Egyptenaren te veranderen. Ze waren minder vriendelijk. Ze begonnen met kleine pesterijtjes. Maar het werd in de loop van de jaren steeds erger. Ze begonnen ons te vernederen en pakten ons onze vrijheid af. We werden slaven van de Egyptenaren. We moesten hard en zwaar werk doen.

Het vernederen bleek niet genoeg. Enkele jaren geleden werden de Egyptenaren echt vijandig. Niet allemaal gelukkig. Maar de Farao, de koning van Egypte, en zijn dienaren zagen ons niet meer als medemensen. In  hun ogen waren we niets meer waard, maar toch waren ze bang voor ons. De Farao bedacht dat er geen jongetjes meer mochten blijven leven. Als dit plan zou werken, zouden we als Israëlieten geen toekomst meer hebben.

Je broer Aäron was geboren voordat de Farao dit onzalige plan had bedacht. Ik ben een meisje, dus ik mocht blijven leven. Maar toen moeder jou kreeg, waren we allemaal bang. Als jongetje mocht je niet blijven leven. Veel Egyptenaren waren het niet met de Farao eens, en hielpen ons stiekem. Maar toch waren er vele families die door toedoen van de Farao hun kindjes hadden verloren.

Onze moeder Jochebed was vastbesloten om jou in leven te houden. Elke ochtend smeekten we God om ons bij te staan en jou te redden. Elke avond dankten we dat deze dag goed gegaan was. We verborgen je zo goed en zo kwaad als het ging. Als je moest huilen, maakten Aäron en ik lawaai, zodat de Egyptenaren in ons dorp je niet zouden horen.. Maar we wisten ook dat het zo niet lang door kon gaan. Vroeg of laat zouden we ontdekt worden.

Moeder bedacht een plan. Echt een ongehoord en ongelofelijk plan.’ In Mirjams ogen beginnen pretlichtjes te schijnen.  ‘Onze vader Amram zag het eigenlijk niet zitten. Hij twijfelde tussen vluchten met het hele gezin of zich aansluiten bij het gewapend verzet. Toch stemde hij in.

We wisten dat de dochter van de Farao zich elke ochtend in de Nijl ging wassen. Het was een hele vriendelijke en zachte vrouw. Ze gedroeg zich heel anders dan haar norse en hooghartige vader. Aan alles was te zien dat ze erg van kinderen hield, maar zelf was ze nooit moeder geworden.

Amram had een mandje gemaakt. Een mand van riet, dicht gesmeerd met pek zodat er geen water in zou komen. We legden jou in het mandje. Met grote ogen keek je ons aan. Je was nog maar drie maanden, maar het leek wel of je aanvoelde wat er ging komen. Voorzichtig zette ik het mandje op het water, stroomopwaarts en wachtte gespannen af of de prinses ook zou komen. Ja. Ja, daar kwam ze aan, met haar slavinnen en vriendinnen. Ik haalde diep adem, liep een paar passen de Nijl in en gaf het mandje een zet.

Daar ging je. Een klein mandje op die grote rivier de Nijl. Je begon meteen te huilen. De stroom kreeg vat op het mandje en je dreef naar de bocht waar de dochter van de Farao zich aan het wassen was. Door het riet snelde ik sluipend met je mee. Mijn hart bonkte in mijn keel, tranen brandden achter mijn ogen. Wat zou er gebeuren, hoe zou het gaan?!

Tot mijn  verrassing ging het precies zoals moeder had voorspeld. De dochter van de Farao zag het mandje en hoorde jouw gehuil. Ze gaf aan een van haar slavinnen opdracht om het mandje te halen. Toen ze in de mand keek en jou zag, smolt haar hart. Liefdevol pakte ze jou op en drukte jou tegen haar aan. Ze wist gelijk dat je een Israëlitisch jongetje was en dat je eigenlijk gedood zou moeten worden. Maar geen haar op haar hoofd die daaraan dacht. Sterker nog, ze tilde jou hoog in de lucht en huilde van geluk.

Op dat moment rende ik naar de prinses toe. Je huilde van honger. Je kreeg nog de borst van moeder en tja, dat kon de dochter van de Farao jou natuurlijk niet geven. ‘Zal ik iemand halen om het kindje te voeden’ riep ik naar de prinses. ‘Ja, doe maar, graag!’ Ja, moeder had gelijk. De dochter van de Farao had jou gelijk in haar hart gesloten.

En zo mocht jij eerst nog gewoon bij ons thuis wonen. Tot je groot genoeg was, toen moest je naar het paleis. Je bent een wonder, Mozes. Je had er eigenlijk niet horen te zijn, maar nu leef je in het paleis van de Farao en mogen wij jou steeds opzoeken. Ik denk dat jij nog grote dingen gaat doen. Maar vergeet nooit wie je bent. En vergeet nooit dat het God zelf is die jou uit het water heeft gered’.

Mirjam kust Mozes op zijn voorhoofd. ‘Vooruit Mozes, je moet weer naar het paleis, voordat de prinses ongerust wordt. Dag lieverd’.

Jozef, deel 1. Een irritant broertje

3 mei

(Bij mijn afscheid van de Protestantse Gemeente ‘t Harde mochten de kinderen hun lievelingsverhaal uit de Bijbel kiezen. Dit is de keuze van Kyra)

Beste Kyra, ik ben blij dat je lievelingsverhaal het verhaal van mijn broer Jozef is. Het is echt een heel bijzonder verhaal. Eerlijk gezegd vind ik het best heel lastig en moeilijk om het verhaal van Jozef aan je te vertellen, omdat ik zelf best heel gemeen ben geweest naar mijn broertje. Gelukkig hebben we de kans gekregen om het weer goed te maken. Waar ik vooral zo dankbaar voor ben, is Jozef de moed had om ons te vergeven. Dat vind ik echt heel knap en dat had ik eerlijk gezegd niet verwacht. Weet je wat ook zo bijzonder is? Dat Jozef ook op de eenzaamste en donkerste momenten geholpen is door onze God. Luister maar.

Mijn naam is Ruben. Ik ben de oudste van ons gezin. Nu moet ik je wel vertellen dat ik uit een ingewikkeld gezin kom. We hebben wel allemaal dezelfde vader, maar vier verschillende moeders. In onze tijd kwam dat wel vaker voor, maar in de tijd waarin jij leeft zou dat wel heel vreemd zijn, of niet? Het gaf bij ons trouwens veel spanning. De moeder van Jozef, Rachel, had een enorme hekel aan Lea, mijn moeder. Ze wilden namelijk allebei de belangrijkste zijn voor onze vader Jacob. Maar onze vader hield nou eenmaal het meeste van Rachel, dat wist iedereen. Het gekke was dat het krijgen van kinderen een soort competitie werd. Alsof je met kinderen krijgen liefde kon afdwingen.

Mij  moeder Lea kreeg het eerst kinderen. Ik werd geboren, en later mijn broers Simeon, Levi en Juda. Het leek erop dat Rachel geen kinderen kon krijgen. Rachel werd in die tijd nog bozer en jaloerser. We liepen het liefst een eindje om als Rachel eraan kwam. We konden het nooit goed doen in haar ogen. We kregen altijd maar sneren. Niets aan. Onze vader Jacob liet het maar gebeuren, hij deed er niets aan. Maar ja, hij was dan ook tot over zijn oren verliefd. Tja, en daar werd onze moeder Rachel dan weer ontzettend chagrijnig van…

Jaren later kreeg Rachel toch een zoon. Jozef noemde ze hem. Jozef was de elfde zoon van Jacob, want er waren in de tussenliggende jaren nog zes zonen geboren. Het gekke was dat Rachel nog een beetje gemener leek te worden nu ze zelf ook een zoon had. We konden het niet helpen, maar daardoor kregen we ook een beetje een hekel aan Jozef. Tot overmaat van ramp werd hij ook nog eens het lievelingetje van onze vader. Jozef kon echt helemaal niets verkeerd doen. Als Rachel hem niet beschermde, deed Jacob het wel. Hoe vaak Simeon en Juda niet de schuld kregen als Jozef iets fout deed – pfff. We zouden hem zo graag eens een lesje leren. Maar ja, die kans kregen we natuurlijk nooit. Hij hield altijd de rok van zijn moeder vast.

Ja, Rachel… Bij de geboorte van haar tweede zoon, Benjamin, enkele jaren na de geboorte van Jozef, is ze overleden. Pas later begreep ik hoe ingrijpend dat moet zijn geweest voor Jozef. We hadden toen voor hem moeten zorgen, maar we staken de draak met hem. Benjamin daarentegen vonden we allemaal een droppie. Iedereen liep met hem weg.

Jacob veranderde ook door het verlies van Rachel. Het leek of de lach uit het leven van onze vader was verdwenen. De glans was uit zijn leven verdwenen. Rachel was zijn grote liefde en niemand kon haar plaats innemen. Het leek erop dat Jozef nog veel belangrijker werd voor Jacob. Wij moesten de schapen en geiten hoeden, wij moesten zorgen voor de kamelen, maar Jozef bleef bij de tenten. Altijd in de buurt van Jacob.

Op een keer kwamen we terug na een dag hard werken. Tot onze verbazing en woede had Jozef een schitterende mantel gekregen. Een mantel met alle kleuren van de regenboog. En waarom? Wat deed hij de hele dag?! Wij liepen het vuur uit onze sloffen, zorgden voor alles – maar nooit een bedankje.  Maar deze Jozef kreeg zomaar zo’n schitterend cadeau. Wij vonden Jozef al verwaand, en dat werd er nu niet beter op …

Jozef begon dromen te krijgen. Weet je, dromen zijn bijzonder. Het kunnen soms boodschappen van God zijn. Maar die dromen – echt te gek voor woorden! Hij droomde dat wij allemaal voor hem zouden knielen. en niet alleen wij als broers, maar ook zijn eigen vader! Stel je voor, dat onze vader Jacob voor die Jozef zou moeten knielen – te zot voor woorden, toch?

Jacob zelf kreeg ook een beetje genoeg van deze rare dromen van Jozef. Het leek hem een goed idee om Jozef iets minder bij de tenten te houden en wat harder te laten werken. En zo kwam het we op een middag ineens Jozef in de verte zagen aankomen. We herkenden hem al van verre aan zijn gekleurde mantel.

We waren met de kudden de vlakte ingetrokken. Een stuk verder dan normaal, omdat er niet zoveel gras was. Jozef was door Jacob naar ons toegestuurd om ons wat eten te brengen en om te horen hoe het met ons ging. Het was voor het eerst dat Jozef er in zijn eentje op uit was gegaan. We roken onze kans. Wat zouden we die opschepper eens goed laten schrikken. Eindelijk konden we hem een lesje leren.

Snel verstopten we ons achter een heuvel en bespraken wat we met Jozef zouden doen. Wat  begon als een geintje kreeg al gauw een grimmige klank. Eerlijk gezegd schrok ik van Simeon en Juda. Ze waren zo fel en keken zo gemeen uit hun ogen. Opeens werd ik bang. Bang dat ze Jozef iets aan zouden doen. Ze waren zo boos. Ik moest nu snel handelen voor het uit de hand zou lopen. Iets verderop was een waterput die droog stond. Als we Jozef daar nu eens in zouden gooien? Hij zou ontzettend schrikken, en dan zou iedereen vast wel weer een  beetje bedaren.

Ondertussen klauterde Jozef onbekommerd de heuvel op, een vrolijk deuntje fluitend. Voordat hij er erg in had, sprongen we vanachter de rotsen boven op hem, trokken zijn mantel uit en sleurden hem naar de put. Op een afstandje volgde ik mijn broers. Ik hoorde Jozef jammeren van schrik. Het voelde helemaal niet goed. Maar voordat ik nog iets kon zeggen, gooiden mijn broers hem in de put. Met een klap belandde Jozef op de bodem. Even was het stil. Toen hoorde ik het klaaglijke roepen van Jozef: ‘Toe nou, doe nou niet’. De broers vonden het geweldig, jouwden en lachten hem hardop uit.

Na een tijdje werd het rustiger. Jozef had besloten om niets meer te zeggen. Mijn andere broers hadden honger gekregen en zaten in een kring rond een hoog oplaaiend vuur. Ikzelf wilde even alleen zijn om na te denken. Hoe kon ik Jozef uit die put krijgen en zorgen dat mijn broers weer een beetje normaal zouden gaan doen? Hoe kon ik er voor zorgen dat Jozef niets tegen Jacob zou zeggen.

Zo piekerde ik nog een tijdje. Ik liep terug naar de put in de hoop om Jozef ongezien eruit te halen. Maar tot mijn grote schrik was de put leeg. Waar was Jozef?! Op mijn schreeuwen kwamen mijn andere broers er aan gerend. ‘Waar is jozef?’ riep ik uit. Juda keek mij hooghartig aan. ‘Er kwam een karavaan aan, op weg naar Egypte. Ik dacht, kom laten we Jozef verkopen. Dat is altijd nog beter dan doden’ en Juda bulderde van het lachen om zijn eigen slimmigheid. Ik werd woedend. Ik greep Juda bij zijn kleren. ‘Wat moeten we nu? Hoe kunnen we ooit nog thuiskomen, nu we het lievelingetje van onze vader Jacob hebben gekocht? Hoe kon je zo dom zijn!’

Verslagen keken we elkaar aan. We moesten een plan verzinnen. En snel.

Wordt vervolgd

David en Goliat

18 okt

(Bij mijn afscheid van de Protestantse Gemeente ‘t Harde mochten de kinderen hun lievelingsverhaal uit de Bijbel kiezen. Dit is de keuze van Roman)

Beste Roman, super dat je lievelingsverhaal het verhaal van het gevecht van mijn broer David met Goliat is. Eerst was ik zelf niet zo blij met David. Luister maar.

Mijn naam is Eliab en ik ben boos. Niet zomaar een beetje boos, nee, echt woedend. Het heeft alles te maken met mijn jongste broer, David. Vanochtend kwam hij het legerkamp binnenlopen. We zijn namelijk weer in oorlog met de Filistijnen. Ze overvallen geregeld de dorpjes in de grensstreek – het lijkt ieder jaar wel erger te worden. Nu willen de Filistijnen blijkbaar verder gaan. Hun leger is Juda al binnengetrokken en ze hebben een indrukwekkend tentenkamp opgeslagen vlakbij Socho. De hele helling staat vol met tenten en omheiningen voor de paarden.

Onze koning Saul heeft in allerijl alle sterke mannen opgeroepen om zich voor het leger te melden om deze invasie het hoofd te kunnen bieden. We hebben geluk met onze koning, hoor. Hij is groot en sterk en zeker niet bang. Hij heeft ons al vaak uit de brand geholpen. Dus toen we het bericht kregen dat er moedige mannen gezocht werden voor het leger hebben Abinadab, Samma en ik ons aangemeld. Wij zijn de drie oudste thuis. Eerst wilde onze vader zelf gaan, maar hij is echt te oud om te vechten, dat konden we niet laten gebeuren. Daarom zijn wij gegaan.

de Terebintenvallei

de Terebintenvallei

Onze vader houdt veel ons. Hij is bezorgd en probeert op allerlei manieren te informeren hoe het met ons gaat. De laatste weken is het rustig. We hebben ons tentenkamp opgeslagen tegenover het tentenkamp van de Filistijnen. Alleen het Terebintendal scheidt onze legers van elkaar. Sindsdien is er niets gebeurd.

Ik zeg wel dat het rustig is – maar dat is niet helemaal waar. En dan doel ik niet op de schermutselingen van onze wachtposten met Filistijnse patrouilles. Nee, dan heb ik het over Goliat. Man, dat is echt een reus van een vent. Groot, sterk en dreigend. Hij is wel tweeëneenhalve meter lang! Elke ochtend loopt hij het dal in en begint ons uit te jouwen. De stralen van de ochtendzon laten zijn bronzen helm schitteren. Zelfs op deze afstand kun je zien hoe groot en dik zijn lans is. Zijn kromzwaard boezemt ons angst in en jaagt ons schrik aan. Wie zou het tegen hem durven opnemen? Elke ochtend roept hij dat we laf zijn . Elke ochtend lacht hij ons uit en roept dat we maar slaven zijn van Saul. Elke ochtend roept hij of iemand het lef heeft om met hem te vechten. Dat durft natuurlijk niemand.

We hebben aan Saul gevraagd om Goliat te mogen uitschakelen met een hinderlaag, maar de koning is bang dat dat averechts werkt. Nee, elke dag worden we uitgescholden en we beginnen de moed te verliezen. Elke ochtend zien we dat er soldaten van Saul zijn gevlucht.

Vanochtend was er dus rumoer aan de rand van het tentenkamp. Het was mijn broertje David die door onze vader was gestuurd om ons spullen te brengen. David hoorde Goliat schreeuwen en schelden en begon zich ermee te bemoeien. Hij vroeg doodleuk waarom we ons laten uitschelden en hoe lang we nog van plan zijn om bang en moedeloos rond te lopen. Hij begon ook nog over God te praten. Nou vraag ik je! We waren razend.

Mijn twee oudste broers en ik wilden David snel de mond snoeren, maar Saul had al lucht gekregen van de opmerkingen van David. We sisten hem toe: ‘Was toch bij je schapen gebleven! Deze Goliat is niet een bergleeuw die je met geschreeuw weg kunt jagen!’

Maar Saul zag Davids vrome grootspraak aan voor moed. Hij nodigde David uit in zijn tent. Wij dachten dat David wel snel de tent uit zou worden gestuurd, maar er gebeurde iets anders. Saul geloofde in David en hij stond toe dat mijn broer tegen Goliat zou gaan vechten. Mijn maag draaide om: dat zou zijn dood worden – dat kon niet anders. En daarom werd ik opnieuw kwaad: op de overmoed van David en op de domheid van Saul.

David kwam naar buiten. In de wapenrusting van Saul. Het zag er echt niet uit. Saul was een kop groter dan David. De helm zakte hem over de ogen. Door het harnas kon hij zijn nek niet meer bewegen en door de ijzeren platen op zijn schenen kon David alleen nog maar waggelend lopen. De soldaten begonnen eerst te gnuiven en te gniffelen, maar al gauw lachten ze hardop.

David gooide de wapenrusting van Saul van zich af. En daar stond hij. Onze herder. Met alleen een tas op zijn heup en een slinger in zijn hand. ‘Dank u, koning Saul’, zei David. ‘Maar ik ga liever zo op Goliat af. Als God met mij is, hoef ik niet bang te zijn’.

Ik draaide mij om en liep naar mijn tent.

Op het moment dat ik bij mijn tent kom, hoor ik een luid gelach. Het zijn de Filistijnen die David zien aankomen als de eerste die eindelijk hun held, hun Goliat durft uit te dagen. Ze lachen om deze herdersjongen en verkneukelen zich om wat komen gaat. Ik voel tranen achter mijn ogen branden. Had ik niet moeten ingrijpen? Had ik niet zelf in plaats van David moeten gaan? Ik ben toch de oudste zoon?

Het gelach verstomd.

Doodse stilte.

Opeens een gejuich, een woest geschreeuw. Het zijn de Israëlieten die juichen! Ik hoor onze soldaten roepen: ‘Kom! Kom op! God is ons te hulp gekomen!’

Ik zie mijn broer Abinadab.

‘Ongelofelijk’, roept hij mij al uit de verte toe. Ik zie zijn ogen schitteren. ‘David heeft Goliat verslagen! Met alleen zijn slinger ging hij op die reus van een Goliat af. Ik zag hem bukken om een paar stenen te pakken. Met grote stappen liep hij op de kampioen van de Filistijnen af. Hij begon te rennen, deed de steen in de slinger. Met grote precisie slingerde hij de steen naar Goliat. Vlak onder de rand van de helm raakte de steen Goliat – en hij viel! Wie had dat gedacht! God is met ons, ga mee!’

De geboorte van Jezus

3 okt

(Bij mijn afscheid van de Protestantse Gemeente ‘t Harde mochten de kinderen hun lievelingsverhaal uit de Bijbel kiezen. Dit is de keuze van Nilou, Hendriëlla en Mynke)

Beste Nilou, Hendriëlla en Mynke, dank jullie wel voor de keuze van de geboorte van Jezus als jullie lievelingsverhaal. Het is een bijzonder en prachtig verhaal. Luister maar:

‘Is het nog ver?’ Maria kijkt bezorgd naar Jozef. Hij houdt met één hand de ezel vast en zijn andere hand rust op de zak die op zijn schouder ligt. Jozef kijkt omhoog en probeert een geruststellende glimlach. Het blijft bij een wat verkrampte grijns.

‘We zijn er bijna. Het komt goed’. ‘Zullen we anders even rusten? Of wil jij even op de ezel?’

Verschrikt kijkt Jozef Maria aan. ‘Nee, natuurlijk niet. Ik moet goed voor je zorgen. Kijk je buik nou, je bent hoogzwanger! We lopen door, hoe eerder we er zijn, hoe beter.’ Maria legt even haar hand op Jozefs schouder. Hij knikt en zo gaan ze verder. Op weg naar Bethlehem. Dit is alweer de vierde dag dat ze onderweg zijn. Hun woonplaats Nazareth ligt een kleine 100 kilometer achter hen.

vijgenboom-grote-vijgeboom

Als de zon hoog aan de hemel staat, rusten ze even uit. Ze gaan zitten onder een oude vijgenboom. De grote takken geven veel schaduw. ‘Nog even volhouden’ zegt Jozef. ‘Dit is de laatste etappe. Gaat het nog?’ Maria knikt vermoeid en klimt op de ezel.

Eindelijk zien ze in de verte Bethlehem opdoemen, terwijl de zon al laag aan de hemel staat. Ze blijven even staan en kijken naar het plaatsje dat voor hen ligt. Bethlehem. De stad waar koning David ooit is geboren. De gedachte aan deze koning, van wie zij beiden afstammen, doet een rilling van geluk over hun rug lopen. Het zou wat zijn als er weer een verlosser zou zijn. Een redder die het land zou bevrijden van de Romeinen.

Ja, de Romeinen. Ze maken nu de dienst uit in Israël. De Israëlieten staan volkomen machteloos. De laatste opstand is op niets uitgelopen. Hoe met het verder? De keizer kan met één bevel alle Israëlieten in beweging krijgen. De keizer wil weten hoeveel mensen er precies in zijn rijk wonen. Daarom houdt hij een volkstelling en moeten alle Israëlieten zich inschrijven in de plaats waar hun voorouders geboren zijn. Dat is de reden dat Jozef met zijn hoogzwangere vrouw Maria een lange reis maakt.

In Bethlehem is het een drukte van belang. Er woont geen directe familie van Jozef en Maria meer in Bethlehem. De herbergen zitten al bomvol. Er zijn gewoon teveel Romeinen, ambtenaren die de inschrijvingen doen en reizigers. Links en rechts vraagt Jozef naar een plek om te kunnen overnachten. De tijd begint te dringen. Niet alleen is het al laat aan het worden, maar Maria moet ook echt even gaan rusten.

Aan de andere kant van het dorp staat nog een herberg. Je moet weten dat op de begane grond de dieren een plek hebben: de ezels, kamelen, schapen en soms paarden. Boven de stallen zijn de verblijven van de gasten. Jozef smeekt de herbergier om een plekje voor Maria en hemzelf, ‘Alstublieft, we kunnen niet meer, en we weten niet waar we verder nog naar toe kunnen. U bent onze laatste hoop.’

De herbergier strijkt door zijn baard. ‘Goed’, zegt hij. ‘Jullie mogen in de stal’. Hij wijst de plek en gaat naar boven. Jozef kijkt om zich heen. Een stal. Dit is toch geen plaats voor Maria? Maar goed, het is beter dan buiten op straat. Jozef gaat snel aan het werk om de stal ene beetje huiselijker te maken.

In die nacht wordt hun kindje geboren. Jezus noemen ze hem. Dat betekent redder. De redder die geboren wordt in een stal… Jozef kijkt Maria aan. Liefdevol wikkelt ze Jezus in doeken en legt hem in de voederbak van de dieren. Net een echte wieg.

Ze zijn moe, maar kunnen niet slapen. En terwijl ze in het eerste licht van de opgaande zon naar hun prachtige zoon kijken, horen ze opeens rennende voetstappen en opgewonden stemmen. ‘Is hier een kindje geboren?’ Een door de zon gebruinde man kijkt met grote ogen de stal in. Er verschijnt nog een man, en nog één. Het zijn herders. Mannen, getekend door het buitenleven. In de nacht waken zij over de kudden schapen.

De grote mannen vallen op hun knieën voor de voederbak. Ze beginnen te bidden en te zingen. Maria ziet bij een van de herders tranen in de ogen. Hij kijkt naar Maria. ‘Dit is de messias – de redder die God zou sturen’ zegt hij. ‘We waren op het veld. Het was donker, midden in de nacht. Maar opeens was het zo licht als overdag. Een engel uit de hemel vertelde ons dat we niet bang hoefde te zijn. Hij vertelde van het grote nieuws dat God naar ons heeft omgezien!’

‘We waren eerst geschrokken, vooral toen opeens een heel koor van engelen uit de hemel kwam en begon te zingen. Maar het was zo mooi, zo ontroerend en zo vol blijdschap! De engel zei dat er een kindje in een voederbak zou liggen – en kijk nou, hier is de Redder!’

De herder valt Jozef en Maria om de hals. Ook de andere herders schudden opgetogen Jozef de hand, en ze trekken Bethlehem in, zingend, vrolijk, vol hoop. De mensen kijken verbaasd uit de ramen naar de herders. Wat heeft dit te betekenen?

Maria kruipt dicht tegen Jozef aan. Ze knijpen in elkaars hand en kijken naar Jezus. ‘God ziet naar ons om. We zijn niet alleen. Wat een prachtig geschenk’.

Jona – deel 2

5 sep

Op de vlucht voor mijn opdracht van God, ben ik per schip op weg naar Tarsis. Onderweg is het verschrikkelijk gaan stormen. Zou het met mij te maken hebben? (Zie deel 1)

De schrik slaat me om het hart. Gaat deze storm echt om mij? Ik ben bang. Ik grijp me vast aan de reling en maak me zo klein mogelijk. De zeelui geven ondertussen elkaar de schuld van deze storm. Iemand moet iets hebben gedaan of nagelaten – zo’n storm, dat kan toch niet zomaar?

Een van de matrozen wijst naar mij. De zeelui draaien zich naar mij om en de schipper vraagt: ‘Weet jij waarom we door deze ramp getroffen worden? Wie ben jij eigenlijk? Waar kom je vandaan?” Je moet weten dat deze zeelui normaal gesproken nooit zoveel vragen stellen. Het maakt ze niet zoveel uit wie ze mee aan boord nemen, als diegene maar gewoon betaald. Nu, met deze storm is het een ander verhaal. Nu willen ze precies weten wat er speelt.

Ik begin hakkelend te praten. ‘Het heeft alles met mij te maken. Ik ben een Israëliet, en wij vereren Jahwe. Zo heet onze God. Die naam betekent ‘Ik ben bij jou’. Onze God heeft de hemel en de aarde geschapen, de zee, ja, alles eigenlijk. Ik kreeg een opdracht van God – ik ben namelijk profeet. Maar ik probeerde er onderuit te komen.’ Ik kijk naar de golven die al maar hoger en hoger lijken te worden. De wind buldert in onze oren. ‘Sorry!’ schreeuw ik.  ‘Sorry, het spijt me echt, dat jullie nu door mij in de problemen zijn geraakt. Zet mij maar overboord. Het gaat om mij. Doe maar. Dan komt alles goed.’

 De schipper kijkt mij met grote ogen aan. ‘Natuurlijk ga je niet overboord, dat kunnen we echt niet accepteren!’ ‘Mannen, we gaan proberen om het schip aan de wal te krijgen, kom op!’ Ze gooien nog meer spullen overboord en met vereende kracht proberen ze met de roeispanen het schip op koers te houden.

 Maar het is tevergeefs. Door het geweld van de golven breken de roeispanen alsof het takjes zijn. Opnieuw kijkt de schipper naar mij en knikt. Twee bonkige matrozen grijpen me vast en gooien me overboord. Vrijwel meteen gaat de storm liggen – een spiegelgladde zee, een lichte bries, een waterig zonnetje. De zeelui vallen op hun knieën en danken de God van Jona. Ja, Hij is Schepper van hemel en aarde!

jona in de vis

 Zelf maak ik dat niet meer mee. Zodra ik in het water val, zink ik naar de diepte. Op het moment dat ik mijn bewustzijn dreig te verliezen, word ik opgeslokt door een  grote vis. In de buik lig ik te hijgen en te puffen en kom ik weer langzaam bij mijn positieven. Ik realiseer me dat ik nog leef – maar ben ik hier beter af? Ik vouw mijn handen en bid – aarzelend

 God,

Hier in de diepte roep ik tot U

Help mij toch, en laat mij niet alleen

Ik dacht dat ik het niet zou redden

Maar U ziet naar mij om

U wilt mij helpen

God,

U luistert naar mij

Help mij toch en laat mij niet alleen

 

Enige tijd later spuwt de vis mij uit op land.

“Laat de kinderen tot Mij komen”

11 aug

Bij mijn afscheid van de Protestantse Gemeente ’t Harde mochten de kinderen hun lievelingsverhaal uit de Bijbel kiezen. Dit is de keuze van Bastiaan

Hallo Bastiaan, wat leuk dat jij gekozen hebt voor het verhaal waarin Jezus zegt: ‘Laat de kinderen tot Mij komen.’ Het is een mooi en bijzonder verhaal, luister maar:

Mijn naam is Jonathan. Jaren geleden heb ik Jezus in het echt gezien. Ik was toen zelf nog maar een jaar of 6. Ik herinner het mij nog als de dag van gisteren. Mijn vader was met mijn oudste broer Ezra aan het werk gegaan. Ik zou mijn moeder helpen.

jezus-en-kinderen

Opeens was het dorp echter in rep en roer. Mensen begonnen opgewonden te roepen. Van alle kanten kwamen er mensen aangelopen. In de verte, op de hoofdweg langs de Jordaan, kon je een hele menigte zien aankomen. Echt, een enorme optocht. Wat was er aan de hand? Waarom was iedereen zo opgewonden?

Buurvrouw Mirjam stak haar hoofd naar binnen en riep: “Kom, schiet op! Jezus komt eraan!” Ik zag mijn moeder van kleur verschieten. Vaak had ze met mijn vader over Jezus gesproken. Ze hadden samen fluisterend aan elkaar de verhalen verteld die over Jezus de ronde deden. Zijn liefde voor God die Hij zijn Vader noemde. De tekenen die Hij deed. Hij had allerlei mensen genezen. Er waren zoveel verhalen van mensen die door de ontmoeting met Jezus weer blij werden. Vader en moeder waren erg nieuwsgierig naar Jezus en zouden Hem graag ook zelf eens willen ontmoeten. Maar ja, daar was nooit gelegenheid voor geweest.

Snel riep mijn moeder mij en pakte mijn zusje Rachel op de arm. ‘Jonathan, let jij op Shira. Kom, dan gaan we!’ Zo liepen we met de massa mee naar het plein, waar Jezus inmiddels was aangekomen.

Het was een drukte van belang. We konden bijna niets zien. Ik gluurde langs de mensen die voor mij stonden, maar veel zag ik niet. Jezus was gaan zitten op een grote steen. Zijn leerlingen die altijd met Hem meegingen, stonden en zaten vlak bij Hem. Mijn moeder probeerde nog wat dichterbij te komen, maar de rijen voor haar lieten haar niet door. Ik moest mijn best doen om Shira niet kwijt te raken. Ze leek meer zin te hebben om heel hard te gaan huilen. Ik deed een stap naar achter en sloeg mijn armen om haar heen.

Mijn moeder was echter vast besloten om Jezus te zien. Ze tilde Rachel hoog boven haar hoofd en probeerde met haar schouder dichter bij te komen. Het leverde heel wat tumult op, want andere mensen werden boos. Jezus was aan het praten – wees toch stil! Een paar leerlingen van Jezus kwamen polshoogte nemen. Mijn moeder was blij, want ze zouden haar vast helpen. ‘Mijn kinderen willen graag Jezus ontmoeten’ riep mijn moeder. De leerlingen reageerden echter ook boos. ‘Jezus is met hele belangrijke zaken bezig’,  zeiden ze. ‘Die heeft echt geen tijd voor kinderen. Kinderen moeten luisteren en wachten tot de  grote mensen klaar zijn.’

Ik zag tranen in de ogen van mijn moeder opwellen. Ze wilde iets zeggen, maar er kwam geen geluid uit haar mond. Opeens werd het helemaal stil op het plein. Jezus was opgestaan, terwijl hij de mannen met wie hij in gesprek was gewoon liet staan. Hij liep richting mijn moeder. De mensen weken uiteen. Hij keek naar zijn leerlingen en schudde zijn hoofd. ‘Filippus en Judas, jullie begrijpen er niets van. Hoe kun je kínderen nu tegenhouden. Kinderen zijn altijd welkom bij mij. Kom, laat de kinderen bij Mij komen’.

Jezus pakte Rachel aan en gaf haar een kus op haar voorhoofd. Ik trok Shira mee. Jezus legde zijn hand op Shira en mij en zegende ons. Meer kinderen drongen tussen de grote mensen naar voren. Voor elk kind had Jezus tijd. Bij mijn moeder stroomden nu de tranen over haar wangen. Tranen van geluk.

Een ontmoeting om nooit te vergeten. We waren klein, maar Jezus zag ons en houdt van ons.

Waardeloos

6 mei

Wat maakt het toch allemaal uit.

Monique liep boos het schoolplein af. Om de hoek begon ze te stapvoeten. Rotjongens waren het. Ze vocht tegen haar tranen. Door haar tranen heen zag ze in de kant van de weg narcissen die uitbundig bloeiden in de eerste warmte van de lentezon.

gepest

Ze werd nog bozer en met een ferme trap schopte ze zo een aantal narcissen uit de grond. Het was toch allemaal waardeloos. Ze was boos op de jongens van groep acht, die haar steeds uitlachten op het schoolplein. Ze was boos op de meisjes uit haar eigen klas, die grappen maakten. Ze was boos op de juffrouw die het nooit zag, maar haar straf gaf omdat ze een meisje een klap had gegeven.

Toen ze thuis kwam rende ze gelijk de trap op, en ging naar haar eigen kamer. In een reflex zag ze haar eigen spiegelbeeld in de spiegel op de gang. Een slungelig meisje, piekerig rood haar, sproeten en een beugel. Nou, daar ben je dan mooi klaar mee.

Haar moeder riep dat de thee was ingeschonken, maar ze had geen zin.

Ze verborg haar gezicht in haar kussen en begon te huilen.

Ze voelde een hand op haar schouder. Het was haar moeder. “He, joh, wat is er nou? Waarom ben je zo verdrietig?” Monique was helemaal niet van plan om iets tegen haar moeder te zeggen, maar opeens kwam alles eruit. Ze klemde zich vast aan haar moeder, en met horten en stoten begon ze te vertellen. Ze vertelde over hoe de kinderen haar waren begonnen te plagen. Hoe de jongens van de hogere groep haar waren gaan uitlachen. Hoe de meisjes over haar roddelden.

Haar moeder aaide haar zachtjes door haar haar. “Je weet toch dat je mijn zonnestraaltje bent? Ach, meisje toch, ach.” Monique begon weer een beetje te kalmeren.

De bel ging. Moeder ging naar beneden en deed open. Het was Robert, een jongen uit de klas van Monique.

“Is Monique ook thuis?” Moeder aarzelde. ‘Wat moet Robert hier?’, dacht ze. “Nou…” begon ze. Robert keek naar de punten van zijn schoenen en zei zachtjes: “Ik wil tegen haar zeggen dat het me spijt.” Moeder keek naar boven en zag Monique boven aan de trap staan. Ze knikte. “Nou, Robert, kom maar even binnen.”

Hij liep naar boven en deed de deur achter zich dicht.

’s Avonds voordat Monique naar bed ging kwam moeder hier nog op terug. Ze ging vlak naast Monique zitten en zei: “Ik vond het heel verdrietig om jou zo overstuur te zien. Ik had stilletjes tot God gebeden. Je bent zo een mooi meisje, je bent gemaakt door God. Het kan toch niet zo zijn dat je je zo waardeloos voelt. Kan het  je niet helpen als je zo aan God denkt?”

Monique dacht even na. “Ja. Ja. Het is fijn om te bedenken dat je bijzonder bent. Maar het is nog fijner als Robert dat tegen je zegt.” Met een glimlach om haar lippen stond ze op, en liep naar boven.

 

 

Bang in het donker

30 apr

Er was eens een kleine mol die een groot probleem had. Hij was bang in het donker. Barend was de kleinste mol van het weiland, en kon ook niet zo goed graven. Hij hield ook helemaal niet van graven, want als hij met een nieuwe tunnel begon, werd hij altijd al heel snel bang. Want hoe dieper hij groef, hoe donkerder het werd.

Op een dag besloot Barend dat het genoeg was. Hij zou het aan zijn broers en zussen gaan vertellen, dat hij niet langer in gangen wilde rond schuifelen en in het donkere hol wilde wonen. Hij was wel bang wat zijn vader en moeder ervan zouden vinden, maar hij was banger voor het donker. Hij trok zijn stoute schoenen aan, en ging naar de eetkamer, waar de familie juist om de tafel was gaan zitten. Moeder diende net een prachtige worm op, met weidekruidensaus. Het lievelingseten van Barend.

Zodra hij binnen kwam, voelde iedereen dat er wat was. Met een zucht zei Barend:  “Ik wíl niet meer onder de grond wonen. Ik houd niet van het donker en ik ben bang. Ik pak mijn spulletjes en ga in de wei kijken.”

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

“Ach”, zei moeder en keek haar zoontje vriendelijk aan. “Ben je al die tijd al bang geweest?” Nog voordat Barend kon antwoorden, schoof vader Mol met een geïrriteerd gebaar zijn bord opzij en stond op. Hij keek zijn zoon aan en zei: “Opa was de beste graver van de hele weide. Nog steeds spreekt iedereen vol bewondering over hem. Ik wou dat je iets meer van hem had.” Hij draaide zich om en liep weg. “Nou dat helpt”, zei moeder. “Weet je, vader was vroeger ook vaak bang in het donker. Maar hij mocht er nooit over praten opa. Hij heeft zich altijd heel eenzaam gevoeld. Weet je wat, ik ga straks even met hem praten, en dan biedt hij zijn excuses wel aan.”

‘Is Barend clausrofi- claustrofro – he, hoe heet dat ook al weer?’ Vroeg Barends kleine zusje. “Claustrofobisch? Ben je bang voor de tunnels, Barend”. “Nee”, zei Barend, “nee, het is meer dat ik niet alleen durf te zijn. En juist in het donker voel ik me zo eenzaam.”

“Maar daar kunnen we je mee helpen”, zei moeder. “Weet je, je vader en ik houden heel veel van je. We willen niet dat je je zo eenzaam voelt. Verken de gangen maar, en vertrouw er maar op dat als je roept, dat we er direct aankomen. Je bent niet alleen.”  Barend haalde opgelucht adem. Het was fijn om zo te kunnen vertellen wat er in hem omging. Toch was hij er niet helemaal gerust op. Het was nog steeds donker in de tunnels. “Weet je wat”, zei moeder. “Je mag vandaag met Willie de vuurvlieg spelen in de grote zaal. Dan voel je je niet alleen, en is het ook lang zo donker niet meer.”

 

Simson, held tegen wil en dank, deel I

28 apr

(Aan de kinderen van de kinderkerk van de Protestantse Gemeente ’t Harde heb ik beloofd van hun lievelingsverhalen een dagboekje te maken. Dit is het tweede verhaal. Het eerste vind je hier)

Hallo Kyamo, wat ben ik blij dat jouw lievelingsverhaal het verhaal van mijn goede vriend Simson is. We woonden in een klein plaatsje in de buurt van Sora, in Israël. Plaatsje, plaatsje – dat is misschien al te veel gezegd. Het was meer een tentenkamp. We volgden onze kuddes tussen Sora en Estaol. Een prachtig gebied, trouwens. Tussen de rotsen kon je de beste schuilplaatsen vinden. Maar je moest wel oppassen, hoor. Want er woonden ook leeuwen en die ben je liever kwijt dan rijk!

bergleeuw

Het was een spannende tijd. De Filistijnen waren eigenlijk heer en meester in ons land. We moesten altijd op onze hoede zijn. Niet dat we voortdurend ruzie hadden en op voet van oorlog leefden met elkaar. We konden het best goed vinden met de Filistijnen bij ons in de buurt. Maar er waren ook bendes die zomaar ons tentenkamp binnen konden vallen om te plunderen. En dat kon heel verkeerd aflopen. Een plaats verderop was met de grond gelijk gemaakt, omdat zij zich probeerden te verzetten tegen de Filistijnen. Nee, je kon ze maar beter hun zin geven en proberen om niet op te vallen.

Over niet opvallen gesproken – dat was met Simson niet mogelijk. Simson viel altijd op. Hij was als kind al een bijzondere verschijning. Vanaf dat ik me herinner had hij lang haar. Simson was mijn beste vriend. Een betere vriend kon ik mezelf niet wensen. Hij hield van avonturen en van geintjes. En weet je, hij was beresterk. Echt waar! Niemand durfde met hem te vechten. En sinds hij mijn vriend was, had iedereen ook veel respect voor mij.

Op zich hield Simson helemaal niet van ruzie. Hij hoefde niet zo nodig te vechten. Maar als iemand hem onrecht aandeed, dan kreeg hij zo’n waas voor zijn ogen en moesten we oppassen.

Hij was een bijzondere vriend. Zijn geboorte was ook al zo apart – ken je dat verhaal? Zijn moeder kon geen kinderen krijgen. Dat was voor haar man Manoach en haarzelf best heel verdrietig. Maar op een dag kwam er een vreemdeling bij haar die vertelde dat ze tóch een kindje zou krijgen. Die bezoeker was niet zomaar iemand, nee, het was een engel van God! Die engel vertelde dat Simson heel dicht bij God zou leven. Hij zou een nazireeër zijn. Zo noemen we iemand die helemaal voor God leeft. Als teken mocht Simson nooit zijn haar afknippen. Nou, je begrijpt dat Simsons haar opviel. Maar we maakten er natuurlijk nooit grappen over – Simson was immers erg sterk…

Simson en ik zwierven vaak samen door de omgeving. We kenden de bergen en rotsen op ons duimpje. We kwamen ook geregeld in kleine nederzettingen van de Filistijnen. En weet je, als we zo samen met de Filistijnen optrokken, waren ze echt heel aardig, We genoten ervan om samen te jagen en om samen door de velden te trekken. We vonden het heerlijk om samen feest te vieren – ja, dat konden ze goed, hoor!

Kampvuur

Met het laatste feest zag ik Simson vreemd kijken. Je weet wel, met zo’n glazige blik. Ik keek waar Simson zo naar zat te staren. Toen zag ik haar. Het vuur wierp een prachtig licht over haar mooie haren en gebruinde huid. Ze lachte met een stralende lach haar witte tanden bloot. Ja, ze was met afstand het mooiste meisje van Timna. En Simson – Simson was tot over zijn oren verliefd.

Toen we weer thuis waren bleef hij maar aan haar denken. Ik zie nog dat het niet verstandig was om een Filistijns meisje te willen, maar Simson was niet op andere gedachten te brengen. Met haar wilde hij trouwen, en met niemand anders. Met zijn ouders kreeg hij een enorme ruzie. Ze vonden het helemaal niets dat hij met een Filistijns meisje zijn leven wilde delen. Maar ja, je kent Simson inmiddels. Hij was natuurlijk niet op andere gedachten te brengen. Koppig bleef hij bij zijn eigen mening en uiteindelijk stemden zijn ouders er mee in.

‘Het is goed, Simson. Als zij zo belangrijk voor jou is, gaan we met je mee om met haar kennis te maken.’ En zo gebeurde het dat Simson met zijn ouders de reis naar Timna maakte. De liefde gaf Simson vleugels. Hij kon zoveel sneller dan zijn ouders – tjonge wat gingen die langzaam. En dus dwaalde Simson ook maar een beetje door de omgeving. Op een gegeven moment liep hij in de buurt van de wijngaarden van Timna, een rotsige weg. Opeens sprong een leeuw brullend naar beneden en versperde hem de weg. Simson kon geen kant uit. Als hij zich zou omdraaien zou de leeuw hem bespringen. Zonder zich te bedenken sprong Simson naar voren en greep de leeuw bij zijn bek. Alsof het een vers gebakken brood van zijn moeder was, zo scheurde hij de leeuw in tweeën. Vol verbazing over zijn kracht rende hij weer naar zijn ouders toe, maar besloot om niets te vertellen.

samson(1)

De kennismaking verliep verder zonder problemen. Iedereen kon zich in het voorgenomen huwelijk vinden. En zo gingen zijn ouders en hij weer naar huis.

Een tijdje later ging mijn vriend Simson opnieuw naar Timna om de bruiloft te organiseren. Dit keer ging ik met hem mee. Simson had mij verteld van de leeuw, maar ik geloofde er helemaal niets van. Simson mocht dan sterk zijn, maar dat met die leeuw sloeg natuurlijk nergens op, Simson werd kwaad, omdat ik hem niet geloofde. ‘Geloof je me niet?!’, schreeuwde hij me toe. ‘Kom mee! Dan laat ik je het zien. Mij niet geloven. Hoe is het mogelijk!’

We liepen over het smalle pad in de richting van de wijngaarden. Ergens was ik wel een beetje bang. Ik kwam liever geen leeuwen tegen… Opeens hoorden we het gonzen van bijen. Naast het pad lag de leeuw. Of tenminste wat er van over was. Met verbazing keken we naar het karkas waar zich een zwerm bijen in had genesteld. We konden de honing ruiken.

In Timna gaf Simson een groot feest. Zoals zo vaak als Simson in het middelpunt van de belangstelling stond, begon hij andere mensen uit te dagen. Ik was altijd maar blij dat hij geen alcohol mocht drinken als nazireeër, want anders was het hek helemaal van de dam geweest.

Maar goed. Simson begon de Filistijnse vrienden van zijn bruid een beetje te plagen. Ze gaven elkaar raadsels op. Simson zei: ‘Ik weet een raadsel die jullie onmogelijk kunnen oplossen. Als jullie het raden, krijg je van mij een groot cadeau. Zo niet, dan krijg ik het van jullie.’ De Filistijnse vrienden gingen akkoord.

‘Het is sterk en het verslindt altijd, nu biedt het een maal van zoetigheid.’

De Filistijnen hadden natuurlijk geen idee waar dit over ging. Maar ik moest gelijk aan de dode leeuw denken. Nee, dit konden ze nooit raden. Die Simson toch; echt een goede grap! Maar de Filistijnen waren niet voor één gat te vangen. Via zijn kersverse bruid wisten ze achter Simsons geheim te komen.

Simson was woedend. Hij voelde zich verraden en te kijk gezet. Hij was zo boos, dat hij naar Askelon ging en alle Filistijnen die hij tegenkwam tegen de grond sloeg. Hij had beloofd als de 30 Filistijnse vrienden het raadsel konden oplossen hen allen een dure jas te geven. Hij hield zijn belofte, maar niet op de manier die de Filistijnse vrienden in gedachten hadden. Hij sloeg dertig Filistijnen neer en gaf hun jassen aan de dertig vrienden.

Je begrijpt dat Simson vanaf nu als een vijand van de Filistijnen werd gezien. Zelf had hij ook even helemaal genoeg van Timna en hij vertrok naar ons tentenkamp. Hoe het verder gaat, zal ik een andere keer vertellen!

 

Jozef in de gevangenis

17 mrt

Voor de kinderen van de kinderkerk ‘De Ark’ van de Protestantse Gemeente ’t Harde ben ik een dagboekje aan het schrijven met hun lievelingsverhalen als afscheidscadeau. Dit verhaal heb ik voorgelezen tijdens de afscheidsdienst in januari. Nu is het tijd om ook de andere verhalen te gaan schrijven. Op mijn blog publiceer ik deze verhalen.

Beste Kyra en Karlijn,

Wat leuk dat jullie vragen naar hoe ik onderkoning van Egypte ben geworden.  Als ik het verhaal vertel aan mijn eigen kinderen en kleinkinderen kan ik het soms nauwelijks geloven. Jullie weten dat ik uit een groot gezin kom, he.

jozef in de gevangenis

Ik was altijd erg trots op mijn grote broers, maar op de een of andere manier kregen ze een enorme hekel aan mij. Ik zag het niet en ik snapte het ook niet – maar goed, daar vertel ik een andere keer verder over. In ieder geval belandde ik door mijn broers in Egypte en uiteindelijk in de gevangenis.

Het was een dag als alle andere dagen. Niets leek erop dat deze dag mijn leven voor altijd zou veranderen. Het was een dag als alle andere dagen. Ken je dat gevoel? Dat iedereen je lijkt te vergeten en niemand echt om je lijkt te geven? Alsof je er niet toe doet?

En God? Maakt het nog wat uit om in God te geloven? Elke ochtend begon ik met een gebed aan God. Ik wilde God vasthouden. De God van mijn vader Jacob. Soms voelde ik me wanhopig worden, maar ik wilde daar beslist niet aan toe geven. Koppig begon ik iedere morgen opnieuw met een gebed.

Dank U voor deze nieuwe dag God – denk aan mij, vergeet mij toch niet.

De zon kierde al vroeg in de morgen naar binnen. Ik kon het ritme van de dag wel dromen. Ik hoorde de voetstappen van de bewaker al in de verte. Het rammelen van de sleutelbos aan de riem. Moet je opletten, ik kan gewoon aftellen: drie, twee, een.

Ja.

De bewaker geeft een schop tegen de voeten van de gevangenisbewaker die hij komt aflossen. Met een schok schiet de tweede bewaker overeind. Net als alle andere dagen is hij tegen het einde van de nacht in slaap gevallen. De Egyptenaren wisselen de gebruikelijke grappen uit. Ik  hoor de andere bewaker weglopen, een trage slepende tred. De zware stap van de eerste bewaker klinkt nu voor de deur. Hij zwaait de deur open en roept op barse toon naar de gevangenen.

Met een knikje met zijn hoofd nodigt de bewaker mij uit om mee te komen. Ik mag de bewakers helpen. En zo begint ook deze dag als alle andere dagen. Hoewel ik gevangen zit, heb ik het best goed voor elkaar. Door mijn vriendelijkheid hebben de bewakers en de medegevangenen respect voor mij. Op deze manier probeer ik toch iets van God te laten zien. Vriendelijk en dankbaar leven, en het beste ervan maken… De bewakers laten mij allerlei klusjes en taken doen en de gevangenen vertellen aan mij hun zorgen, hun verlangens, angsten en dromen.

Jozef 2

Dromen.

Ik weet het nog als de dag van gisteren. Die wonderlijke dromen van de bakker en de schenker van de Farao. Die droom van de bakker die vertelde dat het slecht met hem zou aflopen, omdat zijn bedrog aan het licht zou komen. En de droom van de schenker, dat hij weer in ere hersteld zou worden, omdat duidelijk zou worden dat hij onschuldig was. Ik weet zeker dat ik gelijk had – het was alsof God dat tegen mij had gezegd  Ik heb de schenker gesmeekt mij niet te vergeten. Maar ik heb niets meer gehoord.

Helemaal niets.

Zou het dan toch anders zijn afgelopen?  Nee. Hij is me gewoon vergeten. Wat een teleurstelling. Ik heb God nooit losgelaten, maar ik zit nog steeds hier. In de gevangenis. Onwillekeurig sla ik mijn ogen op. Ik zie door de spijlen de blauwe lucht. Hoelang was het geleden? Maanden? Jaren? Weken? In de gevangenis vergeet je gewoon de tijd. Opeens hoor ik snelle voetstappen. Ik  hoor de schelle stem van een jonge boodschapper.

‘Waar is Jozef? Hij moet gelijk bij de Farao komen!’

Ik schrik op uit mijn overpeinzingen Mijn hart klopt in zijn keel. Wat moet ik hier van denken? Wat is er aan de hand? De bewaker pakt Jozef bij zijn schouder.  ‘Kom, je moet bij de Farao komen. Hij vraagt naar je.’

Jozef 3

Hoe dit afloopt – dat lees je in het dagboekje van de kinderen van de Maranathakerk, met de lievelingsverhalen van Hendriëlla, Rick, Karlijn, Joost, Noortje, Roman, Kyra, Juul, Ruben,  Nilou, Kyamo, Mynke en Bastiaan.