Tag Archives: Koninkrijk

Zijn Naam moet eeuwig eer ontvangen

18 okt

De eredienst van vandaag (18 oktober 2020) wordt gekleurd door het einde van een stuk geschiedenis van onze gemeente. Zeventig jaar geleden werd het Gereformeerd Kerkkoor opgericht. Vandaag markeren we dat het koor dit jaar zichzelf heeft opgeheven. Het was de laatste jaren al lastiger geworden, maar de coronatijd gaf het laatste zetje.

Betekent het dat het een verdrietige en sombere viering wordt? Er mag ruimte zijn voor verdriet om wat verloren is gegaan. Tegelijkertijd is er in deze viering juist ook aandacht voor de vreugde en de troost die het koor heeft geschonken in de liederen die het zong. Het is waardevol en goed om de warme herinneringen te bewaren aan de repetities en de uitvoeringen. Aan de onderlinge verbondenheid. Aan de vreugde om in het zingen Gods Naam groot te maken.

Want uiteindelijk was dat het doel van het Gereformeerd kerkkoor. Het prijzen van de naam van de allerhoogste God. Bij de oprichting was het de tekst uit psalm 72,11 dat aan het koor verbonden werd: ‘Uw Naam moet eeuwig eer ontvangen’.

Die tekst roept in deze tijd ook vragen op. Hoe kunnen we in deze coronatijd de lofzang gaande houden? Het niet mogen zingen raakt voor veel kerkgangers het hart van de geloofsbeleving. Uw Naam moet eeuwig eer ontvangen – maar hoe dan toch? Op die vraag kom ik straks terug.

Maar eerst moet ik ingaan op een andere vraag. De slogan van het koor komt uit psalm 72. Vandaar dat deze psalm vandaag gelezen is en de uitleg en verkondiging over deze psalm gaat. Psalm 72 is een zogenaamde koningspsalm. De koning wordt toegezongen en er wordt voor hem gebeden. Heeft zo’n psalm ons in deze tijd nog iets te vertellen? De eerste associatie met koning is voor mij toch koning Willem Alexander. En zijn onderbroken vakantie. Daarover valt veel te vertellen, maar dat moet een andere keer. Maar de eerste vraag is dus: wat heeft een psalm over de koning ons nog te zeggen?

Toch is het nadenken over ‘koning’ spannender en aansprekender dan het in eerste instantie lijkt. Vergeet Willem Alexander en stel jezelf de vraag: wie of wat maakt de dienst uit in mijn leven? Op grond waarvan maak ik mijn keuzes? Misschien denk je: rare vraag. Dat ben ik toch gewoon zelf?

Laten we even teruggaan naar het oude Israël. Als de ‘gewone Israëliet’ van één ding doordrongen was, was het wel dat het leven niet maakbaar is. Laat staan dat je de regie hebt over je eigen leven. Voor vrede, veiligheid, inkomen, recht, geborgenheid en beschutting was de gewone Israëliet afhankelijk van de koning. Trof de gewone man of vrouw een koning die uit was op het vergroten van eigen macht en ego, dan kon het land zomaar meegesleurd worden in een oorlog. Trof het een koning die onverschillig was over invallen van vijandelijke bendes, dan leefden de Israëlieten in de grensstreek voortdurend in onzekerheid en angst. Trof het een koning die het recht aan zijn laars lapte en vooral luisterde naar de mensen met het meeste geld, dan kon je als gewone Israëliet misbruikt en uitgebuit worden. En nergens kon je dit aan de orde stellen. De manier waarop de koning zijn rol en taak invulde was dus van levensbelang voor de Israëlieten.

Maar er is nog iets meer over te vertellen. Volgens het Oude of Eerste Testament was de koning nooit zomaar een koning. De koning was een afspiegeling van de God van Israël, van Jahwe zelf. De koning liet dus als het ware zien wie God is. Dát horen we terug in de lofzang op de koning: het gaat over recht en gerechtigheid, het gaat over het neerslaan van wie macht misbruikt en anderen onderdrukt.

De goede koning zorgt ervoor dat een ieder tot zijn recht komt. Juist de meest verachte en vernederde mens wordt door de koning gezien en weer op de been geholpen. De lofzang van deze psalm gaat niet alleen over de koning van Israël, maar over God zelf als Heer en Koning over het leven.

Wie of wat maakt de dienst uit in jouw leven? Ik spreek mensen die geleefd worden door een stemmetje in hun hoofd dat zegt dat ze niets voorstellen. Ik ken mensen die geleefd worden door de angst dat een ander meer heeft dan zij. Ik ken mensen die geleefd worden door de gedachte dat zij zelf de regie hebben over hun eigen leven en dat zij zelf de architect zijn van hun levensverhaal. Tot het noodlot toeslaat.

Wie of wat maakt de dienst uit in jouw leven nu de wereld opnieuw tot stilstand komt? Als onzekerheid en angst de huiskamer binnensluipen? Als de zekerheid van werk op het spel staat? Als er teveel tijd is om te malen?

Israëls antwoord is: God is Koning. En de Bijbel vertelt het verhaal verder. Degene die tot in het diepste diepte heeft laten zien wat dat koningschap inhoudt, is Jezus Christus. Dat koningschap van God in Jezus heeft alles te maken met je durven verbinden aan wie niets meer te geven heeft. Aan wie de hoop verloren is. Aan wie kwetsbaar en gekwetst is. Deze koning legt zijn kroon af en krijgt een doornenkroon. Deze koning legt zijn gode gelijk zijn af en wast zijn leerlingen de voeten. Dat is ook het beeld dat doorschemert in psalm 72: een koning die de gebutste en gekwetste mens ziet. Een koning die recht doet, ook of beter: juist aan de arme.

Deze koning maakt het verschil. Deze koning geeft troost en biedt geborgenheid. Deze koning vraagt toegang tot ons hart.

Dat is nog zo’n lastige Joodse gedachte. Wij denken bij ‘hart’ aan emotie en gevoel. In de Joodse traditie staat het hart voor ons oriëntatiecentrum. In het hart worden onze keuzes gemaakt en onze beslissingen genomen. Het hart is ons moreel kompas. ‘God in je hart’ betekent dus dat deze God, die recht doet aan wie arm is, die strijdt tegen onrecht, die pesters haat, die de minste wil zijn en die vergeving is, jouw keuzes en beslissingen bepaalt.

God aanvaarden als jouw koning, God toelaten in je hart is een waagstuk. Het maakt je een ánder mens. Een nieuw mens, zegt de Bijbel. Je perspectief gaat verschuiven. Je bent vanaf dat moment allereerst en vooral burger van het Koninkrijk van God. Dat Rijk van God is niet de hemel straks. Het is de hemel op aarde – en dat Koninkrijk is gekomen met het sterven en opstaan van Jezus Christus. Het Koninkrijk is onder ons. In onze gebaren van liefde, mededogen en solidariteit komt het Rijk aan het licht.

Wat je omstandigheden ook zijn, hoe de stormen in ons leven kunnen woeden, hoe de corona ook onze toekomst onzeker en angstig maakt, het is God zelf in Jezus Christus die uiteindelijk ons leven bepaalt. In Hem hervinden we hoop en troost, zichtbaar in onze medeburgers van het Rijk van God. Zichtbaar in de bewogenheid en het mededogen van mensen om ons heen. Zo, en alleen zo, wordt Zijn Naam gespeld.

Die Naam – Ik ben – biedt troost, biedt geborgenheid en beschutting. die Naam biedt richting en houvast. Die Naam is onze hoop – in die Naam vinden we de moed om op te staan, te volharden en te strijden voor recht en gerechtigheid. die Naam moet eeuwig eer ontvangen. Daarom zingen we, daarom heffen we de lofzang aan.

Dat brengt me bij de tweede vraag. Hoe kunnen we Gods Naam prijzen nu de lofzang is verstomd? Het koor is opgeheven. En in de kerken zwijgt de gemeente. Drie antwoorden. Een gemeentelid uit een van mijn vorige gemeenten had veel meegemaakt. Ze had moeite met de kerkgang, en sprak zelden over het geloof. Te ingewikkeld. Maar elke maandag, als ze de ramen lapte en de strijk deed, zong ze uit volle borst en met de tranen over haar wangen psalmen en gezangen. Thuis kan de lofzang doorgaan. Het tweede antwoord is dat het prijzen van Gods Naam in deze tijd misschien nog meer dan anders, niet zozeer gevonden wordt in de massaal aangeheven lofzang, maar in de zorg voor de eenzame buurvrouw of buurman. We prijzen God door onze handelingen, ons spreken, ons luisteren en ons bidden.

Het derde antwoord vind ik in Openbaring waar we lezen dat de vier wezens voor Gods troon een loflied aanheffen. Dag en nacht zingen ze: heilig, heilig, heilig. Als hier op aarde door moeite en verdriet ons zicht belemmerd is, ons hart zwaar is geworden en ons hoofd moe, weet dan dat in de hemel het loflied al is aangeheven.

Waarom? Omdat Jezus in het evangelie van Johannes zegt: houd moed, Ik heb de wereld overwonnen.

Moge dat tot troost en zegen zijn.

Vragen om over door te praten:

  1. Wie of wat drijft jou, inspireert je of – negatiever geformuleerd – maakt de dienst uit in je leven?
  2. Wat roept het woord ‘koning’ bij je op? En wat roept de zin: ‘God is mijn koning’ bij je op?
  3. Wat neem je mee van de uitleg van het Joodse denken over het koningschap als afspiegeling van God zelf? Is dat helpend voor je geloofsleven?
  4. Waar zie jij iets van Gods koninkrijk? Waar bouw jij op dit moment mee aan het Rijk van God?

Gebed

God van Licht en leven, God van óns leven, we danken U dat U ons hele leven in uw liefde heeft omvat. We danken U dat U in ons leven regeert en wij zo ook burgers van uw Koninkrijk mogen zijn. We bidden U dat ons verlangen meer en meer groeit om Jezus toe te laten als Heer van ons leven. We bidden U dat ons verlangen mag groeien om onderdeel te zijn van uw Koninkrijk in ons doen en laten, in ons spreken en luisteren, in ons bidden en zegenen. We bidden U dat wij tot zegen mogen zijn, in de naam van Jezus, Amen

Om lekker luidop mee te zingen

Onze Jezus!

6 jul

We willen er maar wat graag bij zijn vandaag. Een vreemde opwinding maakt zich van ons meester. Zelfs onze pubers mopperen niet en lopen snel voor ons uit. Mijn buurman en ik stappen de synagoge binnen. Het is een drukte van belang. Iedereen is er al. Natuurlijk. Vandaag zal onze beroemdste dorpsgenoot spreken. Zijn roem is hem al vooruit gesneld. We hadden wonderlijke verhalen gehoord. Over genezingen, over bijzondere krachten die hij zou bezitten. Over zijn wijsheid. Over zijn charisma. Onze Jezus uit Nazareth.

Onze Jezus

Ik ken het gezin van Jezus goed. Met Jozef heb ik wel samengewerkt. Samen met Maria en Jozef gaan we jaarlijks naar Jeruzalem. Met de broers van Jezus, met Joses, Simon, Judas en Jacobus kan ik het goed vinden. Jezus zelf is anders. Ongrijpbaar op de een of andere manier. Alsof hij, als kind al, in een andere wereld leefde, hij had andere interesses – hij was altijd in de synagoge te vinden, steeds op zoek naar kennis. Soms maakte hij zoveel boosheid in mij los. Maar dan keek hij mij aan. Zijn vragende, liefdevolle blik raakte mij diep van binnen, ontroerde mij. Ik draaide me dan het liefste om en liep weg.

Trots

We volgen zijn carrière met grote interesse. Mooi hoor, wat Jezus aan het doen is. We zijn trots en dat willen we laten weten ook. Gisteren was hij weer voor het eerst sinds zijn vertrek in ons dorp. Hij had gelijk Barjudas genezen van een vervelende ziekte. Echt knap. Vandaag zal hij spreken in onze synagoge. Wie wil daar niet bij zijn?

Verbazing

Jezus staat op en krijgt een boekrol aangereikt. Hij rolt de boekrol open en begint te lezen uit teksten van de profeet Jesaja. “De geest van God, de HEER, rust op mij, want de HEER heeft mij gezalfd.” We staan verbaasd over zijn kennis en wijsheid. We zijn verrast en enthousiast over zijn aansprekende manier van vertellen. We kijken elkaar aan, onze ogen stralen – hier spreekt ónze Jezus.

Het Koninkrijk is nabij

Maar dan slaat de stemming ineens om. Hij betrekt de tekst uit Jesaja op zichzelf. ‘Ik ben het’, zegt Jezus, ‘die gekomen is om het goede nieuws van Gods Koninkrijk te verkondigen. Gods Rijk is aanstaande. God trekt zich het lot van zijn volk aan, het lot van de wereld. Hij roept ons op om ons te bekeren, om radicaal ons leven in zijn dienst te stellen. We mogen als herauten aan wie het maar horen wil, aankondigen dat de wereld Vaderland wordt. Het genadejaar, de tijd van Gods aanvaarding, liefde en omzien, is aangebroken. We mogen thuiskomen en schuilen onder zijn vleugels!’

‘Maar deze boodschap vraagt wel alles. Het vraagt je leven’, gaat Jezus verder. ‘Het betekent dat je niet langer toeschouwer kunt blijven. Je kunt niet langer op afstand blijven en gewoon blijven. Het vraagt om bekering en overgave. Om leven met open handen. Om het durven loslaten van je eigenbelang, zodat je God en je naaste kunt dienen’.

Stemming slaat om

In de synagoge beginnen mensen door elkaar heen te praten en te schreeuwen. ‘Wat denkt die Jezus wel?’ ‘Hij is toch gewoon een van ons?’ ‘Hij moet zich niet zoveel verbeelden’. Jezus kijkt verbaasd rond. ‘Zoveel ongeloof’, hoor ik hem zeggen.

Te dichtbij

De volgende dag bespreek ik met mijn buurman de gebeurtenissen van gisteren. ‘Wat was dat nou?’ ‘Weet je, als de Schrift open gaat, dan gaat het altijd over Gods zoekende liefde. Over zijn bewogenheid en betrokkenheid. Het is Jezus die dat ons laat zien. Ik denk dat hij de beloofde messias is – echt waar! Ik snap zijn verbazing over ons ongeloof wel. Op geen enkele andere plek als hier in Nazareth is zoveel nabijheid van God. Hier is Hij zo dicht in ons midden, zo vervlochten met het aardse leven. Herinner je de verhalen van Maria en Elisabeth dan niet?’

‘Jezus raakt aan onze kern. Hij vraagt om een radicale verandering. Maar we maken onze eigen beelden van God om onze lauwheid en gemakzucht te verhullen. We spannen God voor ons eigen karretje. Misschien willen we alleen maar trots zijn op Jezus, of willen we dat hij onze vriend is. Maar we vergeten dat hij veel meer is, dat hij ons tot in het diepste liefheeft en ons raakt. Ja, die liefde verandert je leven radicaal. Het is God die naar ons toekomt. We hoeven niet op te klimmen naar de hemel. We hoeven het niet zelf te doen. Dat lukt ook niet’.

Ik blijf staan. Ik denk terug aan de liefdevolle blik van Jezus. Ik open mijn handen en van op mijn knieën. Tranen wellen op in mijn ogen.