Tag Archives: Ninevé

Jona – deel 3

5 aug

Het duurt even voor ik mijn ogen kan openen. Als ik om me heen kijk, zie ik dat ik op een strand lig. Ik til mijn hoofd wat verder op en zie de kalme, blauwe zee achter me. De warmte van de zon geeft me weer wat energie en langzaam komen de herinneringen terug. Ik herinner me de opdracht die ik van God kreeg. Mijn vlucht naar Tarsis. De storm. De diepte van de zee. Mijn wanhopig roepen naar God. Maar wat ben ik blij dat ik nog leef! Ik krabbel overeind, val op mijn knieën en dank God. Ik beloof hartgrondig mijn leven te beteren. Ik wandel naar het dichtstbijzijnde stadje en neem intrek in de herberg.

 

‘Ga naar Ninevé’

Als ik opgefrist en in alle rust ’s avonds de gebeurtenissen van de afgelopen dagen nog eens overdenk, hoor ik opnieuw de stem van God. “Maak je klaar om naar Ninevé te gaan om aan de inwoners te vertellen dat het afgelopen moet zijn met hun slechte daden en dat ze moeten veranderen.” Mijn hart begint sneller te slaan, maar nu aarzel ik geen moment. Vroeg in de ochtend zoek ik vervoer naar Ninevé. Dat blijkt niet zo ingewikkeld, omdat er erg veel goederen naar die grote stad vervoerd worden. Met een karavaan kan ik meereizen naar de rivier de Tigris, waar ik met een klein en comfortabel schip de reis kan voortzetten.

Een imponerende stad

Ik ben nog nooit in Ninevé geweest. Ik heb er wel verhalen over gehoord, maar die verhalen leken me een beetje overdreven. Nu ik met eigen ogen Ninevé zie opdoemen in de verte, schieten woorden tekort om de schitterende stad te beschrijven. Alleen al door de geweldige grootte is de stad imponerend. Vanaf de haven loop ik de stad in en kijk mijn ogen uit: wat een gebouwen, wat veel mensen!

Ik haal nog een keer diep adem, pak mijn mantel uit mijn reistas zodat de mensen kunnen zien dat ik een profeet ben, ga op een kleine verhoging staan en begin met een luide stem mijn boodschap te roepen. Daarna loop ik verder en zoek een nieuwe plek om mijn verhaal te vertellen. Zo loop ik door de stad: “Over veertig dagen is het uit met Ninevé! Er zal geen steen op de andere steen blijven staan. Onze God is he-le-maal klaar met jullie geweld, boosheid en slechte daden. Let maar op, over veertig dagen is er geen Ninevé meer!”

Een onverwachte reactie

Natuurlijk ben ik bezorgd hoe de mensen op deze boodschap zullen reageren. Zullen ze me gevangen nemen? Zullen ze me hard aanpakken en de stad uitgooien? Maar ik concentreer me op mijn opdracht. Ik wil niet bang zijn en ik wil naar God luisteren. Ik merk dat de mensen met open mond naar mij luisteren. Het lijkt wel of de boodschap hen diep raakt. De hele stad raakt in rep en roer. Zelfs de koning van Ninevé wordt op de hoogte gebracht. De inwoners van Ninevé hebben spijt en willen op een andere manier gaan leven. Ze roepen tot die God die ze eigenlijk niet zo goed kennen om genade.

Ik maak die verandering niet helemaal mee. Ik ben de stad uit gegaan om een mooi plekje te zoeken. Op een veilige afstand, op een heuvel heb ik een hutje gemaakt zodat ik alles goed zou zien. Maar er gebeurt niets. Nou ja, niets – de inwoners beloven allemaal om anders te gaan leven en niet langer gemene dingen te doen. En dat is blijkbaar genoeg voor God. Hij laat de inwoners van Ninevé met rust en vernietigt de stad niet.

Gods liefde

Dat maakt me razend. “Wat bent U nou voor een God vol liefde en medelijden! Ik wist het wel, daarom wilde ik dit niet doen. Dit zijn toch onze vijanden? Waarom bent U dan met hen begaan? Nou?!” Ik bal mijn vuisten naar de hemel. O, wat ben ik kwaad. In een windvlaag hoor ik een fluistering. “Is het terecht dat je boos op me bent?” Daarna is het stil. Een stilte die me onrustig maakt. En zo val ik in slaap.

Als ik wakker word, blijkt er opeens in de nacht een grote schaduwrijke plant uit de grond opgeschoten te zijn. Het lijkt haast wel een boom! Zoiets heb ik nog nooit gezien. Ik ben verbaasd, maar bovenal blij. Ik ben van plan om nog even te blijven, omdat ik ergens stiekem hoop dat Ninevé toch nog vernietigd zal worden. De dag gaat voorbij en tevreden ga ik slapen.

Als ik de volgende dag mijn ogen open doe, is de plant helemaal verdord. Tot overmaat van ramp steekt er een hete, verschroeiende wind op. Mijn hutje biedt niet voldoende beschutting en verkoeling. De zon brandt en brandt. Opnieuw word ik woedend. “God, dit is geen leven zo” roep ik.

Opnieuw die fluistering: “Is het terecht dat je zo boos bent om die plant?” Ik spring op, en roep vol boosheid: “Natuurlijk is het terecht! Het was toch een prachtige plant met heerlijke schaduw?”

“Als jij al zo veel verdriet hebt om een plant die afsterft, terwijl je er niets voor hebt hoeven doen, en daar al zo boos over bent – bedenk dan eens hoeveel verdriet ik zou hebben als al die inwoners van Ninevé zouden omkomen? Als die mooie mensen, met hun mogelijkheden en hun liefde. Jona, luister toch: dit is waar het om gaat. Het kwaad en het onrecht moeten stoppen. Maar als mensen veranderen en anders willen gaan leven, dan sluit Ik hen in mijn hart. Ik ben immers een God van liefde en meeleven? Dat, Jona, is de boodschap die jij moet doorvertellen. Niet alleen aan de mensen van je eigen volk, maar aan de hele wereld.”

Beschaamd sta ik op en loop terug naar Ninevé. Ik ga de stad binnen en bij de herberg bestel ik iets te drinken. Ik hef mijn beker op en kijk de waard aan. “Op het goede leven!”

 

 

Jona – deel 1

14 aug

Bij mijn afscheid van de Protestantse Gemeente ‘t Harde mochten de kinderen hun lievelingsverhaal uit de Bijbel kiezen. Dit is de keuze van Noortje

Hallo Noortje, super dat mijn verhaal jouw lievelingsverhaal is. Ik heb dan ook nog al wat meegemaakt. Luister maar:

“Nee! Ik doe het niet! Nooit!”

Snel zoek ik mijn spullen bij elkaar voor de reis. Mijn  ogen schieten door de ruimte waar ik de afgelopen jaren gewoond heb. Tijd om afscheid te nemen.

Ik reis naar Jafo, een havenplaats. Het bruist bij de haven. Het is druk.  Mensen uit allerlei landen kopen of verkopen handelswaar. Vissers maken hun netten klaar of proberen hun vers gevangen vis aan handelaren te verkopen. In deze wirwar zoek ik een schip dat mij mee wil nemen naar Tarsis – want ik wil ver weg.

jona aan boord

Waarom? Ja, dat klinkt misschien een beetje raar, maar God heeft tegen mij gezegd dat ik naar Ninevé moet. Hoe hoor je de stem van God? Weet je, ik heb op de profetenschool gezeten. Die scholen werden populair in de tijd van Elia en Elisa. De profetenscholen bestaan nog steeds. Profeten zijn belangrijk in Israël. We worden om raad gevraagd bij lastige kwesties en onzekere ontwikkelingen. Op school leren we om de Bijbel heel goed te lezen. Dat is misschien wel het belangrijkste om God te leren verstaan, omdat je in die verhalen in de Bijbel heel veel van God kunt leren. Ook oefenen we om stil te zijn, en te luisteren of God ons ook iets te zeggen heeft. Ik heb de school niet afgemaakt. Ze vonden dat ik niet zo goed kon luisteren en dat ik te snel was afgeleid.

Ik ben toen maar voor mijzelf begonnen. Een kleine profetenpraktijk. Opeens was daar die stem van God. ‘Ga naar Ninevé en zeg tegen die stad dat ze moeten stoppen met hun slechte daden’. Nou, naar Ninevé. Ze zullen me zien aankomen. Het is een stad met trotse inwoners. Je kunt ze maar beter te vriend houden. Stel je voor dat ik daar op hun pleinen zou roepen dat ze slechte dingen doen. Straks gooien ze me nog in de gevangenis.

Er restte me dus maar één ding: wegwezen. Tarsis leek me een goed plan. Daar zou ik opnieuw kunnen beginnen. En God zou wel begrijpen dat ik echt niet naar Ninevé wil en kan gaan. Veel te moeilijk. En zo ben ik in de haven van Jafo op zoek naar een schip.

Al snel vind ik een schipper die mij mee wil nemen. Ik ben echt heel erg moe, en als het schip op volle zee is, val ik in een diepe slaap in het ruim tussen de lading. Ik merk niet dat het weer omslaat. Het zonnetje maakt plaats voor donkere wolken. Het begint steeds harder te waaien en de wind loeit om het schip. De zeelui hebben al heel wat meegemaakt, maar bij deze storm slaat hen de schrik om het hart. De golven zijn werkelijk torenhoog. Met groot geweld spatten de golven uiteen op het schip. Als een aanmaakhoutje slingert het schip op de golven. Wat de zeelui ook proberen, ze krijgen het schip niet onder controle. Ze worden bang. ‘Schipper, dit loopt niet goed af! Straks verdrinken we nog!’ Om het schip te redden en lichter te maken, gooien ze zo veel mogelijk overboord.

Ook dat helpt niet. Alle zeelui beginnen te roepen en te bidden. De schipper kijkt rond en ziet tot zijn verbazing dat  ik nog lig te slapen. Hij is boos en in paniek. “Wat lig je nou te slapen man! Bid tot jouw god dat we niet vergaan!’ Geschrokken spring ik overeind. In een flits is het me duidelijk. Deze storm – het gaat om mij…