Tag Archives: Noach

Sem, Cham en Jafeth in de Ark

14 mrt

Het is schemerdonker in de Ark. Sem en Jafeth zijn samen met Noach naar de olifanten gaan kijken, omdat die erg onrustig werden van de nijlpaarden.

Cham zat met zijn moeder in de ruimte die dient als woonkamer. Of eigenlijk: hun leefruimte. Tussen de voorraden was er wat ruimte waar ze het eten konden klaarmaken en waar ze konden zitten.

In het licht van een olielampje maakt de vrouw van Noach het eten klaar. Cham kijkt naar de grillige schaduwen op de wanden van de Ark, veroorzaakt door de flakkerende vlam. De Ark slingert opeens krachtig naar links en helt over. Cham zet zich schrap, maar de Ark recht zich weer op. Opnieuw. Zoals steeds de afgelopen weken.

Chams gedachten dwalen af naar enkele weken geleden. Hij dacht weer terug aan hoe hij samen met zijn broers Sem en Jafeth door de bossen kon rennen. Op zoek naar wat wild of naar lekkere bessen. Tenminste – als ze hun vader niet hoefden te helpen met het bouwen van de Ark.

Hun vader was maanden geleden opeens begonnen. Hij vertelde dat hij een opdracht van God had gekregen om een grote boot te bouwen – de Ark. Je begrijpt dat de meeste mensen Noach een zonderling vonden. Wie bouwt er nu een boot midden op het land? Maar Noach liet zich niet uit het veld slaan. Van ’s ochtend vroeg tot ’s avonds laat hakte hij bomen om en zaagde die tot planken. De Ark kreeg geleidelijk meer vorm. De spanten torende hoog boven het dorp uit. Deden de mensen eerst lacherig, nu keken ze met verbazing en verwondering. Ja, ze vonden het nog steeds maf en raar, maar ze kregen ook veel respect voor Noach. Van heinde en verre kwamen de mensen het schouwspel bewonderen. De waarschuwingen van Noach vonden ze minder leuk en al gauw ging iedereen weer naar huis.

Op een ochtend werden ze wakker van een vreemd geluid. Een soort diep gerommel. In de ochtendzon zagen ze in de verte allerlei dieren aan komen lopen. Giraffen, gnoes, paarden en zebra’s.  Luipaarden en hazen. Kijk daar, twee muizen. Krokodillen en dromedarissen. Er waren dieren bij die zo nog nooit gezien hadden of die ze later niet meer terug wilden zien. Zoals de wasberen die in de Ark steeds het versgebakken brood probeerden te stelen.

Een lange stoet dieren die twee aan twee aan kwamen lopen en zo de Ark ingingen. Noach liep heen en weer om de dieren naar hun verblijven te brengen. De immense ruimte – drie verdiepingen! – raakte al snel voller en voller.

Het begon te regenen. Op zich waren we daar eerst wel blij mee. Het was al langere tijd droog geweest. De aarde was dorstig. Terwijl de wat langzamere dieren de ark naderden, begon het harder te regenen. Grote druppels. Noach werd zenuwachtig. Ook wij moesten de Ark in. Achter ons ging de deur dicht. Dit was het. Ons hele leven was nu de Ark.

Alles wat we gewoon waren, stopte. We waren helemaal alleen met ons eigen gezin. Niet meer naar anderen toe. Niet meer naar de dorpsfeesten. Niet meer –

Cham schrikt op uit zijn mijmeringen. Hij loopt naar de lichtopening en kijkt naar de hemel. De wolken jagen langs de donkere hemel. Maar dan ziet hij opeens de prachtige sterrenhemel.

Het is alsof er een stem klinkt die zegt: Ik zal er zijn.

De regenboog – Noach vertelt

3 okt

(Bij mijn afscheid van de Protestantse Gemeente ‘t Harde mochten de kinderen hun lievelingsverhaal uit de Bijbel kiezen. Dit is de keuze van Rick, Joost, Juul en Ruben)

Beste Rick, Joost, Juul en Ruben, wat gaaf dat jullie het verhaal van Noach zo mooi vinden. Als Noach zijn verhaal vertelt, ben ik altijd een en al oor. Maar ja, Noach is dan ook mijn opa. Mijn naam is Tubal. Ik ben de kleinzoon van Noach. We zitten in de tent en kijken uit over de vallei. Het is maar goed dat we binnen zitten, want de regen valt met bakken uit de hemel. Bliksemschichten doorklieven de donkere lucht.

Mijn opa is stil. Ik zie hem peinzen. Met zijn handen ondersteunt hij zijn hoofd, terwijl hij naar de kleine stroompjes kijkt die naar beneden kolken en gaandeweg de helling veranderen in snelstromende beekjes. Noach kijkt omhoog, naar de lucht. Ik kijk naar zijn ogen. Naar zijn vriendelijke en rustige oogopslag, naar het vertrouwen dat zijn ogen uitstralen.

Noach staat op en stapt de regen in. Hij wenkt mij om naast hem te komen staan. Met zijn stok wijst hij naar het westen, waar de wolken openbreken. De zon breekt door en zonnestralen vallen de vallei binnen. De zon schijnt op de regen en een prachtige regenboog omspant het dal. Boven de heldere regenboog wordt nog een tweede boog zichtbaar.

dubbele regenboog

‘Mooi, he’ fluistert mijn opa. ‘Een dubbele regenboog!’ We staan samen in de regen. Mijn opa pakt mijn hand en hij opent zijn andere hand naar de hemel. ‘Dank U wel’, hoor ik Noach zeggen.

We stappen de tent weer in, onze haren nat van de regen. Ik kijk mijn opa vragend aan. Noach begint te vertellen.

‘Als ik de regenboog zie, denk ik aan God. Aan zijn zorg voor ons, aan zijn trouw en liefde. Je weet dat er een hele grote overstroming is geweest, he. God heeft mij van tevoren gewaarschuwd. Hij vertelde mij dat ik een hele grote boot moest bouwen, een ark. Het ging namelijk helemaal niet goed met de mensen en met de aarde. De mensen zorgden heel slecht voor de dieren en deden ook elkaar kwaad. Niemand was meer veilig.

God wilde voor zijn schepping zorgen en het kwaad stoppen. De boot die ik ging maken, moest zo groot worden dat van alle dieren er twee mee konden in de ark.

Ik was uitermate verbaasd. Waarom kwam God naar mij toe? Hoe kon ik ooit een zo grote boot bouwen? Hoe zouden die dieren in de ark komen? Ik liet de vragen maar en begon aan mijn opdracht. Jouw vader en ooms hielpen vaak mee. Sem, Cham en Jafet waren fijne zoons. De mensen in de omgeving verklaarden ons voor gek. Wie bouwt er nu een boot op het droge? En nog wel een zo grote boot?

We werkten weken, maanden en jaren aan de boot. Telkens waarschuwde ik de mensen die kwamen kijken voor wat komen ging. Niemand nam mij serieus.

Op een ochtend toen de zon nog maar net de eerste stralen op de boot liet vallen, die nog maar net klaar was, voelden we de aarde beven. We sprongen uit ons bed en keken naar buiten. Een grote stofwolk hing boven de vlakte. Door het stof heen zagen we silhouetten bewegen. Eerst konden we het niet zo goed zien, maar opeens zagen we wat die stofwolken veroorzaakten.

Dieren. Honderden dieren. Twee giraffen staken met hun lange nekken boven alles uit. Twee olifanten liepen voorop. Twee stokstaartjes renden rondjes om twee runderen. Allerlei soorten vogels vlogen tjilpend en kwetterend rond de gazelles en zebra’s. We keken onze ogen uit. Er kwamen allemaal mensen op het geluid af en met verbazing zagen we hoe de dieren vanzelf de ark inliepen.

Ondertussen begon het te regenen. Eerst sloegen we er geen acht op, maar het begon steeds harder te regenen. Het water kwam met bakken uit de lucht. Ik riep tegen mijn vrouw en mijn zonen en schoondochters dat ze snel hun spullen moesten pakken en in de boot moesten stappen.

Ik ging als laatste naar binnen. Ik kon nog net voorkomen dat een schildpad klem kwam te zitten tussen de deur.

We voelden de ark loskomen van de grond. Hij begon te drijven. Het bleef regenen. Alles stond onder water en wij dreven op de golven, in weer en wind. Het duurde lang. De regen hield wel 40 dagen aan. Maandenlang bleef het land overstroomd. Wat duurde het lang en wat was het moeilijk om niet moedeloos te worden.

Maar opeens voelden we de ark vastlopen. Het water was aan het zakken! Het werd droog en wij, wij mochten eindelijk naar buiten en de grond weer onder onze voeten voelen. Heerlijk! We dankten God op onze knieën.

Toen we omhoog keken, zagen we een regenboog. De helderste en mooiste die we ooit gezien hadden. Zulke mooie en hartverwarmende kleuren. God zei: “Dit is een teken van mijn liefde en trouw aan jullie en aan de hele schepping. Ik zal het nooit meer zo hard laten regenen, en ik zal altijd goed voor jullie zorgen”.’

‘Dus, Tubal’, besluit mijn opa, ‘als ik die regenboog zie, dan denk ik aan hoe God ons gered heeft. Dan herinner ik me hoeveel God van de schepping houdt. Dan weet ik dat God altijd trouw zal zijn.’

Opa wil nog meer vertellen. Maar het is inmiddels droog geworden. Ik roep ‘dag opa’ want ik wil nu eerst rennen.