Zijn Naam moet eeuwig eer ontvangen

18 okt

De eredienst van vandaag (18 oktober 2020) wordt gekleurd door het einde van een stuk geschiedenis van onze gemeente. Zeventig jaar geleden werd het Gereformeerd Kerkkoor opgericht. Vandaag markeren we dat het koor dit jaar zichzelf heeft opgeheven. Het was de laatste jaren al lastiger geworden, maar de coronatijd gaf het laatste zetje.

Betekent het dat het een verdrietige en sombere viering wordt? Er mag ruimte zijn voor verdriet om wat verloren is gegaan. Tegelijkertijd is er in deze viering juist ook aandacht voor de vreugde en de troost die het koor heeft geschonken in de liederen die het zong. Het is waardevol en goed om de warme herinneringen te bewaren aan de repetities en de uitvoeringen. Aan de onderlinge verbondenheid. Aan de vreugde om in het zingen Gods Naam groot te maken.

Want uiteindelijk was dat het doel van het Gereformeerd kerkkoor. Het prijzen van de naam van de allerhoogste God. Bij de oprichting was het de tekst uit psalm 72,11 dat aan het koor verbonden werd: ‘Uw Naam moet eeuwig eer ontvangen’.

Die tekst roept in deze tijd ook vragen op. Hoe kunnen we in deze coronatijd de lofzang gaande houden? Het niet mogen zingen raakt voor veel kerkgangers het hart van de geloofsbeleving. Uw Naam moet eeuwig eer ontvangen – maar hoe dan toch? Op die vraag kom ik straks terug.

Maar eerst moet ik ingaan op een andere vraag. De slogan van het koor komt uit psalm 72. Vandaar dat deze psalm vandaag gelezen is en de uitleg en verkondiging over deze psalm gaat. Psalm 72 is een zogenaamde koningspsalm. De koning wordt toegezongen en er wordt voor hem gebeden. Heeft zo’n psalm ons in deze tijd nog iets te vertellen? De eerste associatie met koning is voor mij toch koning Willem Alexander. En zijn onderbroken vakantie. Daarover valt veel te vertellen, maar dat moet een andere keer. Maar de eerste vraag is dus: wat heeft een psalm over de koning ons nog te zeggen?

Toch is het nadenken over ‘koning’ spannender en aansprekender dan het in eerste instantie lijkt. Vergeet Willem Alexander en stel jezelf de vraag: wie of wat maakt de dienst uit in mijn leven? Op grond waarvan maak ik mijn keuzes? Misschien denk je: rare vraag. Dat ben ik toch gewoon zelf?

Laten we even teruggaan naar het oude Israël. Als de ‘gewone Israëliet’ van één ding doordrongen was, was het wel dat het leven niet maakbaar is. Laat staan dat je de regie hebt over je eigen leven. Voor vrede, veiligheid, inkomen, recht, geborgenheid en beschutting was de gewone Israëliet afhankelijk van de koning. Trof de gewone man of vrouw een koning die uit was op het vergroten van eigen macht en ego, dan kon het land zomaar meegesleurd worden in een oorlog. Trof het een koning die onverschillig was over invallen van vijandelijke bendes, dan leefden de Israëlieten in de grensstreek voortdurend in onzekerheid en angst. Trof het een koning die het recht aan zijn laars lapte en vooral luisterde naar de mensen met het meeste geld, dan kon je als gewone Israëliet misbruikt en uitgebuit worden. En nergens kon je dit aan de orde stellen. De manier waarop de koning zijn rol en taak invulde was dus van levensbelang voor de Israëlieten.

Maar er is nog iets meer over te vertellen. Volgens het Oude of Eerste Testament was de koning nooit zomaar een koning. De koning was een afspiegeling van de God van Israël, van Jahwe zelf. De koning liet dus als het ware zien wie God is. Dát horen we terug in de lofzang op de koning: het gaat over recht en gerechtigheid, het gaat over het neerslaan van wie macht misbruikt en anderen onderdrukt.

De goede koning zorgt ervoor dat een ieder tot zijn recht komt. Juist de meest verachte en vernederde mens wordt door de koning gezien en weer op de been geholpen. De lofzang van deze psalm gaat niet alleen over de koning van Israël, maar over God zelf als Heer en Koning over het leven.

Wie of wat maakt de dienst uit in jouw leven? Ik spreek mensen die geleefd worden door een stemmetje in hun hoofd dat zegt dat ze niets voorstellen. Ik ken mensen die geleefd worden door de angst dat een ander meer heeft dan zij. Ik ken mensen die geleefd worden door de gedachte dat zij zelf de regie hebben over hun eigen leven en dat zij zelf de architect zijn van hun levensverhaal. Tot het noodlot toeslaat.

Wie of wat maakt de dienst uit in jouw leven nu de wereld opnieuw tot stilstand komt? Als onzekerheid en angst de huiskamer binnensluipen? Als de zekerheid van werk op het spel staat? Als er teveel tijd is om te malen?

Israëls antwoord is: God is Koning. En de Bijbel vertelt het verhaal verder. Degene die tot in het diepste diepte heeft laten zien wat dat koningschap inhoudt, is Jezus Christus. Dat koningschap van God in Jezus heeft alles te maken met je durven verbinden aan wie niets meer te geven heeft. Aan wie de hoop verloren is. Aan wie kwetsbaar en gekwetst is. Deze koning legt zijn kroon af en krijgt een doornenkroon. Deze koning legt zijn gode gelijk zijn af en wast zijn leerlingen de voeten. Dat is ook het beeld dat doorschemert in psalm 72: een koning die de gebutste en gekwetste mens ziet. Een koning die recht doet, ook of beter: juist aan de arme.

Deze koning maakt het verschil. Deze koning geeft troost en biedt geborgenheid. Deze koning vraagt toegang tot ons hart.

Dat is nog zo’n lastige Joodse gedachte. Wij denken bij ‘hart’ aan emotie en gevoel. In de Joodse traditie staat het hart voor ons oriëntatiecentrum. In het hart worden onze keuzes gemaakt en onze beslissingen genomen. Het hart is ons moreel kompas. ‘God in je hart’ betekent dus dat deze God, die recht doet aan wie arm is, die strijdt tegen onrecht, die pesters haat, die de minste wil zijn en die vergeving is, jouw keuzes en beslissingen bepaalt.

God aanvaarden als jouw koning, God toelaten in je hart is een waagstuk. Het maakt je een ánder mens. Een nieuw mens, zegt de Bijbel. Je perspectief gaat verschuiven. Je bent vanaf dat moment allereerst en vooral burger van het Koninkrijk van God. Dat Rijk van God is niet de hemel straks. Het is de hemel op aarde – en dat Koninkrijk is gekomen met het sterven en opstaan van Jezus Christus. Het Koninkrijk is onder ons. In onze gebaren van liefde, mededogen en solidariteit komt het Rijk aan het licht.

Wat je omstandigheden ook zijn, hoe de stormen in ons leven kunnen woeden, hoe de corona ook onze toekomst onzeker en angstig maakt, het is God zelf in Jezus Christus die uiteindelijk ons leven bepaalt. In Hem hervinden we hoop en troost, zichtbaar in onze medeburgers van het Rijk van God. Zichtbaar in de bewogenheid en het mededogen van mensen om ons heen. Zo, en alleen zo, wordt Zijn Naam gespeld.

Die Naam – Ik ben – biedt troost, biedt geborgenheid en beschutting. die Naam biedt richting en houvast. Die Naam is onze hoop – in die Naam vinden we de moed om op te staan, te volharden en te strijden voor recht en gerechtigheid. die Naam moet eeuwig eer ontvangen. Daarom zingen we, daarom heffen we de lofzang aan.

Dat brengt me bij de tweede vraag. Hoe kunnen we Gods Naam prijzen nu de lofzang is verstomd? Het koor is opgeheven. En in de kerken zwijgt de gemeente. Drie antwoorden. Een gemeentelid uit een van mijn vorige gemeenten had veel meegemaakt. Ze had moeite met de kerkgang, en sprak zelden over het geloof. Te ingewikkeld. Maar elke maandag, als ze de ramen lapte en de strijk deed, zong ze uit volle borst en met de tranen over haar wangen psalmen en gezangen. Thuis kan de lofzang doorgaan. Het tweede antwoord is dat het prijzen van Gods Naam in deze tijd misschien nog meer dan anders, niet zozeer gevonden wordt in de massaal aangeheven lofzang, maar in de zorg voor de eenzame buurvrouw of buurman. We prijzen God door onze handelingen, ons spreken, ons luisteren en ons bidden.

Het derde antwoord vind ik in Openbaring waar we lezen dat de vier wezens voor Gods troon een loflied aanheffen. Dag en nacht zingen ze: heilig, heilig, heilig. Als hier op aarde door moeite en verdriet ons zicht belemmerd is, ons hart zwaar is geworden en ons hoofd moe, weet dan dat in de hemel het loflied al is aangeheven.

Waarom? Omdat Jezus in het evangelie van Johannes zegt: houd moed, Ik heb de wereld overwonnen.

Moge dat tot troost en zegen zijn.

Vragen om over door te praten:

  1. Wie of wat drijft jou, inspireert je of – negatiever geformuleerd – maakt de dienst uit in je leven?
  2. Wat roept het woord ‘koning’ bij je op? En wat roept de zin: ‘God is mijn koning’ bij je op?
  3. Wat neem je mee van de uitleg van het Joodse denken over het koningschap als afspiegeling van God zelf? Is dat helpend voor je geloofsleven?
  4. Waar zie jij iets van Gods koninkrijk? Waar bouw jij op dit moment mee aan het Rijk van God?

Gebed

God van Licht en leven, God van óns leven, we danken U dat U ons hele leven in uw liefde heeft omvat. We danken U dat U in ons leven regeert en wij zo ook burgers van uw Koninkrijk mogen zijn. We bidden U dat ons verlangen meer en meer groeit om Jezus toe te laten als Heer van ons leven. We bidden U dat ons verlangen mag groeien om onderdeel te zijn van uw Koninkrijk in ons doen en laten, in ons spreken en luisteren, in ons bidden en zegenen. We bidden U dat wij tot zegen mogen zijn, in de naam van Jezus, Amen

Om lekker luidop mee te zingen

Terug naar 30. Verdrietig, maar noodzakelijk

11 okt

Het was een bewogen en tumultueuze week in kerkelijk Nederland. Afgelopen maandag (5 oktober 2020) kwam het Ministerie van Justitie en Veiligheid (na overleg met de kerken) met het dringende advies om niet meer dan 30 kerkgangers per viering toe te laten.

Ik was van plan om een heel evenwichtige blog te schrijven over hoe we als kerken toch steeds geprobeerd hebben om zorgvuldig en gewetensvol om te gaan met de coronamaatregelen. En dat we ook iets kunnen leren van Staphorst, zoals Rosanne Hertzberger schrijft in haar column Staphorst is jaloersmakend. Maar ik ga het niet doen.

Het gaat in deze dagen niet over vrijheid van godsdienst. Het gaat vandaag niet over de vraag of we God meer gehoorzaam moeten zijn dan de overheid.

Vandaag gaat het over de vraag hoe ver we willen gaan om het aantal besmettingen terug te dringen. Onze regio, Zuid-Holland zuid, kleurt donkerrood. We zitten op het risiconiveau ‘ernstig’. Op dit moment zijn kerken (nog) geen clusters van uitbraken. Maar áls in een kerk een superspreader aanwezig is, gaat het gelijk serieus mis.

Het gaat niet om vrijheid van godsdienst, maar om de volksgezondheid. Hoe kunnen we samen bijdragen aan zorg voor wie leeft met een kwetsbare gezondheid? Als kerkgangers hebben we een verantwoordelijkheid naar elkaar en naar de samenleving. We leven niet in een bubbel, maar in gezinnen, families, buurten en werkkringen.

Op dit moment loopt het aantal besmettingen dramatisch op. De reguliere zorg loopt vast. De ziekenhuizen raken vol. We weten dat wie serieus COVID-19 krijgt (ook als je jong bent) er lang last van kan houden. We weten ook dat voor mensen met een kwetsbare gezondheid het zomaar het laatste zetje naar sterven kan zijn.

Ik kan niet voor anderen spreken en ik kan niet voor andere kerken (of theatermakers, feestjesplanners, etc.) spreken. Wel maak ik voor mijzelf de volgende afweging: in deze tijd van corona laat God zich misschien niet zozeer vinden in het massaal aangeheven loflied, maar juist in de breekbare solidariteit met die buurvrouw met een kwetsbare gezondheid.

Hoe we onze zondag ook besluiten in te vullen, laat het vol liefde zijn. Laten we God liefhebben en onze medemens – alsof het om onszelf ging.

Seksueel misbruik? Laten we het er maar niet over hebben

8 okt

Dit artikel is gepubliceerd in IDDG september 2020

Er zit een roze olifant in de wachtkamer. Dezelfde roze olifant zit elke zondag in de kerk. Ik zie de olifant op de sportvereniging, in instellingen en op de bank in de huiskamer. Nu ik de olifant zie, kan ik hem niet meer niet zien. Hij is er. Zien anderen hem ook? Ik weet het niet, want over deze olifant wordt gezwegen.

Esther Veerman | blogs over trauma, herstel en zingeving
Afbeelding: Esther Veerman

Een epidemie met ingrijpende gevolgen

Het valt niet mee om seksueel misbruik ter sprake te brengen. Er is een krachtige en vreemde dynamiek zichtbaar als het om misbruik gaat. Elk onderzoek naar prevalentie van seksueel misbruik laat onthutsende cijfers zien. Of het nu gaat om onderzoek naar misbruik binnen de hulpverlening, sport, pleegzorg, kerk of samenleving, het valt nooit mee. Een op de zeven mannen en een op de vier vrouwen geven aan seksueel geweld te hebben meegemaakt. Om het nog iets te preciseren: jaarlijks worden volgens de Nationaal Rapporteur Mensenrechten 62.000 kinderen voor het eerst slachtoffer van enig vorm van seksueel geweld.

De gevolgen van seksueel misbruik zijn ingrijpend. Het misbruik kan diepe sporen nalaten op lichamelijk, relationeel, psychisch en geestelijk gebied. Natuurlijk hangt de ernst van de gevolgen van verschillende factoren af, zoals de leeftijd waarop het misbruik begon, de duur van het misbruik, de relatie tot de dader, de aard van het misbruik en de reactie van omstanders op de onthulling.

Zowel het grote aantal mensen dat te maken heeft (gehad) met misbruik als de hevige gevolgen op de lange termijn zouden bij iedereen de alarmbellen moeten laten rinkelen. Seksueel misbruik is een epidemie en er is geen enkele aanwijzing dat dit binnen geloofsgemeenschappen anders is.

Een verhaal uit de praktijk

In mijn pastorale praktijk spreek ik met regelmaat mensen die lijden onder de gevolgen van seksueel misbruik. Zo ook een vrouw van midden 50. Na een kerkelijke activiteit liet ze terloops vallen dat ze ook ‘dat soort dingen’ had meegemaakt. We raakten in gesprek en er volgde een aantal pastorale ontmoetingen. Ze had geleerd om hard te zijn voor haarzelf, maar onder die schil zat een vrouw die worstelde met haar eigenwaarde. Ze had moeite om anderen te vertrouwen en vond zichzelf niet de moeite waard. Op enig moment vertelde ze dat ze als tiener door een huisvriend was misbruikt. Al die tijd had ze gezwegen, maar het verhaal drukte zwaar op haar. Die zwaarte was bij haar gaan horen. Ze had het geaccepteerd en ze zou het niet snel bij een hulpverlener neerleggen.

In de gesprekken die volgden, legde ik uit hoe misbruik doorwerkt in eigenwaarde. Ook drong ik erop aan dat zij goede hulpverlening nodig had en zij dus een afspraak moest maken met de huisarts. Het duurde enkele gesprekken voordat ze de moed vond om naar de huisarts te gaan en iets van haar geheim te delen. De huisarts verwees haar door naar een psycholoog die een behandeling met EMDR voorstelde.

Af en toe stuurt ze nog een berichtje dat ze zich zo licht voelt. Met de therapie en het doorbreken van het geheim verdween de zwaarte uit haar leven. ‘Wat ben ik dankbaar dat ik over het misbruik heb durven spreken. Mijn leven is compleet veranderd.’

Een bedding voor het verhaal

Haar verhaal maakt duidelijk hoe belangrijk het is om het geheim van het misbruik te doorbreken. Om dit te kunnen doen, hebben slachtoffers van seksueel misbruik een discours nodig, een bedding waarbinnen hun verhaal verteld kan worden. Hoe kun je vertellen als je niet weet hoe je de ervaringen onder woorden moet brengen? Hoe kun je woorden geven aan gebeurtenissen die je stom geslagen hebben en waaraan je geen betekenis kunt geven?

In de Eerste Wereldoorlog leden veel soldaten in de loopgraven aan de zogenaamde shellshock. Door de voortdurende bombardementen en de levensbedreigende situatie stortten sommige soldaten geestelijk in. Hun geestelijke nood werd echter niet erkend door de legerleiding, medici en samenleving. Deze soldaten werden gezien als laf. Sommigen van hen zijn als deserteur ter dood gebracht.

Enkele jaren later was er pas weer ruimte om opnieuw naar de slachtoffers van de oorlog te kijken. Toen werden de symptomen in een ander perspectief geplaatst. Het werd niet langer gezien als lafheid, maar als een posttraumatische stressstoornis ten gevolge van de voortdurende blootstelling aan levensgevaar. Pas toen ontstond er de ruimte voor de soldaten om te herstellen.

Als we willen dat slachtoffers van seksueel misbruik de ruimte krijgen om binnen de geloofsgemeenschap hun verhaal kunnen doen en op adem kunnen komen, zal aan de bedding gewerkt moeten worden. Het betekent dat er bijvoorbeeld aandacht is voor misbruik in voorbeden. Ook de kerkelijke taal maakt veel uit. Toch helpt het niet om bepaalde woorden maar niet meer te gebruiken of te vervangen. Wat voor de één een veilig woord is, is voor de ander bijzonder onveilig. Het gaat dus verder en dieper dan dat.

In veel kerken is de liturgische taal en de gebruikte theologie voor slachtoffers verwarrend en soms zelfs schadelijk, omdat het met name op daders gericht is. Een veel gebruikte orde is: verootmoedigingsgebed, genadeverkondiging en leefregel. Het is gericht op zondebesef, vergeving van schuld en het aanzeggen van de genade. Voor daders kan deze liturgische taal vergoelijkend werken: God heeft mij vergeven, ik kan verder met mijn leven.

Slachtoffers daarentegen voelen zich als gevolg van het misbruik minderwaardig en lijden onder het gebrek aan eigenwaarde. Vaak geven zij zichzelf de schuld van het misbruik, schamen zich voor wat gebeurd is en hebben een hekel aan zichzelf. De kerkelijke taal die hun wordt aangereikt is die van schuld en zonde. Het is een taal die past bij hoe zij zich voelen: zwart en slecht. De vergeving kan echter niet landen, omdat er geen sprake is van schuld. Binnen dit taalveld kunnen zij dit dus alleen maar vertalen naar meer schuld. Zij zijn zo zondig, dat zelfs Gods vergeving geen uitkomst biedt.

In zichzelf zijn ‘schuld’, ‘zonde’ en ‘vergeving’ waardevolle geloofswoorden, maar voor slachtoffers moet er een ander taalveld aangeboden worden: die van recht en gerechtigheid, van wraak en woede. Dit discours helpt om de ervaring van machteloosheid in een ander licht te plaatsen.

Om over seksueel misbruik te kunnen spreken, is er dus een bedding nodig om de gebeurtenissen te kunnen interpreteren. Maar waarom is dit zo lastig te realiseren?

Vermijding

Eerder noemde ik dat er sprake is van een krachtige en vreemde dynamiek als het om misbruik gaat. We weten dat misbruik veel voorkomt en dat het grote gevolgen heeft voor slachtoffers. Het zou in de lijn van de verwachting zijn als alles uit de kast zou worden gehaald om het misbruik te stoppen en slachtoffers de juiste hulp te geven zodat ze hun leven weer kunnen oppakken.

De pijnlijke realiteit is echter dat binnen de GGZ bezuinigd wordt op gespecialiseerde traumazorg. Mensen die lijden aan ernstige psychische gevolgen van misbruik kunnen niet of nauwelijks bij hulpverleners terecht. Ik heb jarenlang met een mannelijk gemeentelid opgelopen die een dissociatieve identiteitsstoornis had, suïcidaal was en gekweld werd door nachtmerries. Jarenlang was er voor hem geen hulp, omdat hij te ernstig getraumatiseerd was. Ik heb meegelopen met een vrouw die euthanasie heeft aangevraagd vanwege ondragelijk psychisch lijden. In haar jeugd heeft zij te maken gehad met seksueel misbruik. Binnen therapie wordt hier niet over gesproken, omdat zij eerst moet stabiliseren voordat er aan het trauma gewerkt mag worden. Als het trauma ter sprake komt, wordt ze te onrustig en suïcidaal, waardoor de wond alleen maar wordt opengehouden en nooit wordt geheeld. Ik was voor hen beide verantwoordelijk en probeerde trouw te blijven, maar wat kon ik nu helemaal doen?

Een andere pijnlijke realiteit is dat het voor slachtoffers van seksueel misbruik vaak lastig is om hun recht te halen. Maar een klein percentage slachtoffers komt tot het doen van een aangifte. Slechts een klein deel van die aangiftes leidt dit tot een daadwerkelijke veroordeling.

Spijtig en verdrietig genoeg is het niet vanzelfsprekend dat slachtoffers van seksueel misbruik binnen geloofsgemeenschappen erkenning krijgen. Verschillende recente onderzoeken naar de positie van slachtoffers in geloofsgemeenschappen stemmen niet hoopgevend. Vrijwel alle slachtoffers zagen zich genoodzaakt om een andere gemeente te zoeken of om het geloof vaarwel te zeggen.

Misbruik vraagt om een keuze

Het lijkt erop dat onze samenleving niet ontvankelijk is voor de verhalen van slachtoffers van misbruik. In geloofsgemeenschappen is dit niet anders. Hoe komt dit? In de eerste plaats heeft het ermee te maken dat deze verhalen een appel op ons doen. Seksueel misbruik is onrecht. Aan het psychisch lijden van het slachtoffer, aan het trauma waar het slachtoffer zich mee moet verhouden, ligt onrecht ten grondslag. Dat vraagt om een keuze. Naast het slachtoffer gaan staan houdt in dat de handelingen van de dader ondubbelzinnig worden veroordeeld. Je verhouden met een slachtoffer gaat dus ook over waarheid en ethiek.

Als het om onrecht gaat, bestaat er geen neutraliteit. Het slachtoffer zal vragen om voor haar/hem te kiezen en zo erkenning te geven. Een dader zal niet perse vragen om te kiezen. Het is voldoende als omstanders neutraal willen blijven. Kiezen om neutraal te blijven is een keuze tegen het slachtoffer en voor de dader.

In de tweede plaats raken de verhalen van misbruik onze samenleving, onze geloofsgemeenschappen en onszelf als omstanders in de kern. Uit onderzoek blijkt dat 75% van de daders bekenden zijn van het slachtoffer. Het verhaal van seksueel misbruik verbrijzelt de illusie van de veilige familie of gemeenschap. Voor de omstanders ontstaat er een dilemma: het uithouden bij de verhalen van het slachtoffer vergroot immers ook het besef van verscheurde relaties en van onveiligheid in de eigen families en geloofsgemeenschappen.

Laten we toch alstublieft niet langer zwijgen

Er zit een roze olifant in de huiskamer. Het wordt tijd dat we er niet langer omheen lopen en niet langer wegkijken. We moeten het er over hebben. Seksueel misbruik gaat gepaard met geheimhouding en met zwijgen. De eerste stap op weg naar herstel en heelwording voor het slachtoffer (en daarmee voor de geloofsgemeenschap en voor de dader) is het doorbreken van het zwijgen.

Het valt voor slachtoffers van seksueel misbruik niet mee om met hun verhaal naar buiten te komen. Dit heeft verschillende oorzaken. Allereerst gaat het misbruik hand in hand met schaamte en schuldgevoel bij het slachtoffer. Vaak worstelt het slachtoffer met de vraag waarom haar of hem dit is overkomen. Misbruik brengt een gevoel van hulpeloosheid en machteloosheid met zich mee. Het zichzelf de schuld geven kan een manier zijn om deze onmacht te hanteren. Als het immers aan het slachtoffer zou liggen dan zou hij of zij het in een andere situatie misschien kunnen voorkomen. Als ik nu eens andere kleren aan had gehad? Als ik nu eens niet naar hem gekeken had?

De reactie van omstanders op verhalen van seksueel misbruik maakt uit. Het kan een kwetsende en schadelijke reactie zijn waardoor een slachtoffer zich nog tweemaal bedenkt voor zij/hij nogmaals met het verhaal naar buiten zal treden.

Het kan ook een uitnodiging zijn om het verhaal vrij te luisteren. Door erkenning te geven en de ander echt te zien, kan de zwaarte ontbonden worden. Wat is het tot zegen als die ander haar/zijn weg met lichtheid kan vervolgen.

Ook in de spreekkamer zullen slachtoffers niet zomaar hun verhaal doen. De vrouw die tegen mij zei dat ze ‘dat soort dingen’ had meegemaakt, wilde beslist niet naar de huisarts voor hulp. Toch had ze een goede band met haar huisarts en was ze enkele keren op het spreekuur geweest met lichamelijke klachten. Ze schaamde zich zo voor het misbruik dat ze het niet zag zitten om de assistente te bellen voor een afspraak. Wat moest ze zeggen als de assistente zou vragen naar de reden van het consult? Na het derde gesprek met mij durfde ze het aan een afspraak te maken.

Hoe kunnen (huis)artsen de drempel verlagen zodat slachtoffers meer worden uitgenodigd om hun verhaal te vertellen? De noodzaak is er: de posttraumatische stress werkt door in de gezondheidsklachten. Slachtoffers kunnen soms uit angst ‘uit het lichaam’ gaan, zodat ze geen pijn of andere klachten meer aan kunnen geven. Het zou kunnen helpen om steeds in gedachten te houden dat mensen met relatief alledaagse klachten ook in stilte kunnen lijden aan de gevolgen van geweld.

Als mensen met benauwdheidsklachten bij de dokter komen, aarzelt geen enkele arts om twee – nogal persoonlijke – vragen te stellen: “Rookt u?” en: “Hoeveel drinkt u?” Als een gemiddelde huisartsenpraktijk uit 2200 patiënten bestaat, dan telt elke praktijk op basis van de eerdergenoemde cijfers 154 mannelijke en 275 vrouwelijke slachtoffers van seksueel misbruik. Vraagt dat niet om een gerichtere aanpak?

Zegen over samen

25 aug

Een zegen heeft te maken met iemand goede woorden toewensen die die ander opbouwen en kunnen bemoedigen. We weten dat woorden krachtig kunnen zijn. Negatieve woorden kunnen kwetsen en zich diep van binnen nestelen en zo je kijk op jezelf, anderen en de wereld mee gaan bepalen.

Zegenen is het tegenovergestelde van die negatieve woorden. Een zegen biedt rust, beschutting en richting.

Wat is het mooi om mensen die de liefde hebben gevonden en samen hun leven verder willen leiden, aan het begin van die relatie een zegen mee te geven – als ouders, als vrienden, als … Een zegen over de liefde, een zegen over samen:

Lieve … en …

Jullie hebben elkaar gevonden en jullie levens zijn meer en meer onlosmakelijk met elkaar verbonden geraakt. Nu willen jullie je levens delen in één huis, en jullie levensverhaal in gezamenlijkheid leven.

Moge jullie verbondenheid gezegend zijn

Dat jullie liefde voor elkaar zich verdiept en jullie elkaar op handen dragen

dat jullie liefde ruimte maakt waarin de ander kwetsbaar en krachtig mag zijn

waarin de ander tot rust komt

en meer en meer zichzelf durft te worden

Dat jullie trouw krachtig mag zijn

in tijden van stormen of windstilte

opdat jullie elkaar steeds opnieuw vinden

en jullie liefde aan diepte zal winnen

Dat jullie hoop

richting geeft

vertrouwen wekt

en houvast biedt

Dat jullie beschutting vinden in Gods liefde, rust in Zijn trouw en kracht in Zijn aanwezigheid

Moge jullie verbondenheid tot zegen zijn

zodat anderen in jullie huis op adem komen

en in jullie liefde en trouw

toekomst vol geborgenheid en standvastigheid

mogen openen

Geloofsbelijdenis: al wankelt de aarde

11 jul

Geloofsbelijdenis van Mirjam, Marinja en Arjan voor het doen van belijdenis op zondag 12 juli 2020

Wij geloven al wankelt de aarde.

Wij geloven al valt het duister op ons

Wij geloven al worden wij in de steek gelaten

Geloven heeft alles te maken met hoop

die groter is dan de omstandigheden

en ons doet opstaan tot het volle leven

met alle rafelranden

maar ook met de vreugde van het besef

dat God met ons mee optrekt

Wij zijn niet alleen!

Wij ontdekten sporen van God

in de mensen om ons heen

in de schoonheid van de schepping

in de fluistering van de stilte

Wij ontdekten sporen van God

in de geloofsgemeenschap

in de oprechte aandacht

in de zorg om elkaar

in het gebed van een medemens

in het verlangen het goede te doen

voor de wereld om ons heen.

We zochten en worstelden

– en soms nog, elke dag –

maar we weten ons (terug)geroepen

in het Licht

Geloven is vertrouwen

kwetsbaar en kostbaar

in God die ons niet in de steek laat

die ons vertrouwen niet beschaamt

die ons door Jezus Christus

op de weg van vrede en rust heeft gezet

ons omarmt en liefheeft

en ons verandert in de mens zoals wij bedoeld zijn

Het is God die met ons meegaat

zodat we niet meer verdwalen

die ons kent en in ons wil zijn.

In zijn vrede en rust komen wij op Adem.

In eenvoud en met vreugde

4 jul

Een van onze gemeenteleden stuurde een berichtje door over hun kleinkind, Lotje. Vijf jaar is ze. Lotje lijdt aan een ingrijpende ziekte waardoor zo onder andere aangewezen is op sondevoeding. Ze is erg vatbaar en vaak ziek. Desondanks is ze vrolijk en dapper, maar ook zo kwetsbaar. De ouders waren erg bezorgd toen het coronavirus Nederland bereikte. Wat zou dit voor Lotje betekenen? Wat als zij ziek zou worden?

Er gebeurde echter een wonder. Lotje werd ziek. Corona? Misschien. Maar ze herstelde op een ongekende manier. Ze had weer energie. Ze eet met smaak en heeft geen sondevoeding meer nodig. Als je ziek bent of als geliefden ziek zijn, dan ga je anders tegen het leven aankijken. Dan leer je het kleine, het gewone waarderen. Wat is eigenlijk gewoon?

Stilgezet

De intelligente lockdown zette het leven stil – en op zijn kop. Voor velen was het een hevige en intensieve tijd, die voorlopig nog zal doorwerken. Maar er is ook een andere kant: toen de wereld en ons leven werd stil gezet, was het niet alleen maar kommer en kwel. Zo hoorde ik verhalen over tijd en aandacht voor het gezin. Dat het jachtige, het moeten, het almaar hollen tot stilstand kwam – daar knapten veel mensen van op. Wat werd er veel gedeeld: aandacht, tijd, kaarten, telefoontjes. Er was omzien, meeleven en zorg voor elkaar. Het was een verademing om tot de kern te kunnen komen.

Ook de aarde kwam weer op een beetje op adem. Geen luchtverkeer. Zovele minder woon – werk verkeer. Het nodigt uit om na te denken wat we mee kunnen nemen naar de post-corona tijd. Gaan we zo snel mogelijk weer terug naar hoe het was? Naar al het rennen, naar alle vliegvakanties? Zouden we een beetje eenvoudiger kunnen leven?

De kern van gemeente-zijn: de maaltijd

Daar moest ik aan denken toen ik deze tekst uit Handelingen las. “De volgelingen van Jezus gebruikten hun maaltijden in een geest vol eenvoud en vol vreugde.” Misschien is dat wel de kern van gemeente-zijn: samen aan tafel. In ieder geval zal Lucas, de auteur van Handelingen het zo zien. De maaltijden in de Bijbel waar Jezus aanschuift, vertellen de kern van het Evangelie.

Natuurlijk, over kerk-zijn valt meer te vertellen: het leren, het bidden, het in de gunst staan bij het hele volk. Maar die tafel. Die staat in het midden.

Het breken van het brood

Ze braken het brood. Dat is niet alleen een term voor samen eten, maar het verwijst ook naar het Avondmaal. In de begintijd van het christendom liggen deze beide betekenissen dicht tegen elkaar aan. Die eerste maaltijden werden ‘agapè-maaltijden’ genoemd. Maaltijden waarin de liefde voor en betrokkenheid op elkaar zichtbaar werd: de eerste christenen deelden het goede leven met elkaar. In die context kreeg de gedachtenis aan het lijden, sterven en opstaan van Jezus betekenis.

Wat opvalt, is dat die maaltijd (met blijdschap en eenvoud) genoemd wordt, ná de viering van het breken van het brood, de Avondmaalsviering, en vóór de lofzegging. Dat gewone eten samen staat daartussen, het wordt in één adem genoemd. Blijkbaar was er toen geen kloof tussen het vieren van het Avondmaal en het gebruiken van de gewone maaltijd. Er was geen kloof tussen zondag en de rest van de week. Het christen-zijn omvatte alles, zowel het bijzondere als het gewone.

Hoe deden zij dat? Hoe overbrugden zij die kloof?

Eenvoud en vreugde

Wat is die eenvoud waar Lucas het over heeft? Heeft dat iets te maken met simpel zijn, argeloos, onnozel? Nee, Bijbelse eenvoud is iets anders. Het is het weten, dat één ding nodig is. Het is het leven vanuit één middelpunt, gerichtheid op de ene God, die we hebben leren kennen in Jezus Christus.

Het is het leven in verbondenheid met de ene Heer. Het is het leven in relatie tot Jezus, de goede Herder.

Dat lukt niet altijd. Wij zijn van nature vaak bepaald door onze stemmingen, onze driften, onze pijnen, onze moeheid, al die grote en kleine dingen die ons afleiden, energie kosten. We leven in leven met zoveel rollen, met zoveel maskers, met zoveel muren en vakjes. Wat kan de drukte ons in beslag nemen.

En toch, als de Heer ons leven en ons hart binnenkomt, verandert de spil, de kern. Als Jezus ons leven binnenkomt, draait ons leven niet meer rennen, drukte, rijkdom, macht of wat dan ook –

Als Jezus ons leven binnenkomt, dan vinden we rust en vrede. Dan mogen we de maskers afdoen en komen we thuis. Aan tafel. Eenvoud betekent hier zoiets als: ongedeeld, uit één stuk, niet versnipperd. Het maakt nogal verschil of je eet met iemand. Die een heel deel van zijn/haar hart afschermt. Zich niet laat kennen, misschien wel een oordeel heeft over van alles en nog wat. Dat is niet ‘eenvoudig’, dat is knap ingewikkeld. Lukas ziet daar in Jeruzalem mensen aan tafel die hun oordeel, hun reserves, hun bedenkingen afleggen omdat er iets veel sterkers is dat hen verbindt. De liefde van Christus, de band door de Heilige Geest.

Die terugkeer tot ware eenvoud, tot het niet langer verscheurd leven maakt ons blij. En omgekeerd kan de blijdschap van het evangelie ons in staat stellen om met eenvoud te leven. Blijdschap en eenvoud veronderstellen en bevorderen elkaar.

Over grenzen heen

Aan tafel is plaats voor iedereen. Dat is hét kenmerk van de tafelgemeenschap aan het begin van het christendom. Die gemeenschap overstijgt verschillen en grenzen. De tafelgemeenschap bestaat uit vrijen en slaven, uit vrouwen en mannen, uit kinderen en volwassen, uit joden en heidenen.

We breken het brood en worden herinnerd aan de eenvoud van het leven. In dat licht mogen we opstaan en léven.

Gespreksvragen

  1. Hoe heb jij de afgelopen maanden beleefd? Heeft de coronatijd je ook iets gebracht?
  2. Wat is voor jou de kern van je leven?
  3. Wat betekent het vieren van het Avondmaal voor jou?
  4. Ervaar je jouw leven als gecompliceerd of herken je de eenvoud waar Lucas over spreekt? Waar ligt jouw verlangen als het gaat over eenvoud?

Gebed

Hemelse Vader, God van licht, we bidden U om de vreugde van het geloof. We bidden U om een leven in eenvoud: dat wij weet hebben van de kern van ons bestaan. Dat het ons rust en vrede geeft om te weten dat ons leven zijn vervulling en bestemming vindt in U.

Geef ons rust waar we vermoeid en belast zijn geraakt. Help ons waar we delen van ons bestaan afschermen voor anderen, voor onszelf of voor u, opdat we mens uit één stuk mogen worden.

We bidden om uw zegen over het breken van het brood, over onze maaltijden. Zegen ons met vreugde en eenvoud, in de naam van Jezus, amen.

Om te zingen:

Nog één rivier …

27 jun

Nog één rivier. Nog één rivier scheidt het volk Israël van het Beloofde Land. Wat is er in de achterliggende jaren veel gebeurd. Veertig jaar lang zijn ze onderweg geweest. Woestijntijd. Het waren soms prachtige tijden waarin ze hoop hielden en God dichtbij wisten. Het waren soms radeloze tijden. Tijden waarin ze zich verloren en verlaten hadden gevoeld. Bedreigd, opgejaagd – en van God geen spoor. Ze trokken verder. Steeds weer. Van oase naar oase. Ze hadden te maken met honger en dorst, met vijanden en met uitzichtloosheid. De generaties die de bevrijding in Egypte hadden meegemaakt, hadden ze in de woestijn moeten begraven. Ze verloren hun geloof, maar wisten zich door God gevonden. De verhalen van bevrijding en redding droegen ze kostbaar met zich mee.

Een kist vol hoop

De priesters droegen een kist (of: ark van het verbond) met zich mee. Daarin zaten voorwerpen die herinnerden aan de weg die Israël gegaan was. De bloeiende staf van Aäron als herinnering dat zijn familie de HEER mag dienen. Een kruikje met manna, het brood uit de hemel, als herinnering dat God voor het volk zorgt. De twee stenen tafels met de Wet die Mozes van God had ontvangen, als herinnering aan hoe Isra:el hoorde te leven. En die kist, die ark, vertelde ook: God gaat mee. Vergeet dat niet!

Aan de oever van de Jordaan

Daar staat het volk. Aan de oever van de Jordaan. Aan de overkant ligt de belofte, de toekomst. Een nieuw begin. Durven ze de stap te zetten? Daar staat Jozua. De nieuwe leider van het volk. Zou het kunnen? Zou hij het durven? Mozes opvolgen, en het volk van God leiden? ‘Wees dapper’, zegt God. ‘Ik ga met je mee.’

Misschien moet ik nog iets vertellen over de Jordaan. Het heeft een grotere en diepere betekenis dan alleen de rivier die tussen Israël en Kanaän instaat. Drie dingen wijzen op die diepere betekenis: allereerst kent het land Israël, zoals we dat in het Oude Testament leren kennen, ook een Over-Jordaanse. De Jordaan is dus niet de grens van het Beloofde Land. Daarnaast wordt in het eerste hoofdstuk van het boekje Jozua het Beloofde Land geschetst. Het geschetste gebied is echter nooit in handen van Israël geweest. Wel is hier een link te leggen met de hof van Eden uit Genesis 2. Tot slot is in de theologie van het Oude Testament de Jordaan ook de ‘doodsrivier’ die uitmondt in de Dode Zee. Het staat voor zonde en schuld, het staat voor de grens tussen woestenij en belofte.

De Jordaan is de rivier waarin Johannes doopte – kopje onder in dood en schuld, en opstaan tot een nieuw leven.

Die grensrivier loopt ook door ons eigen leven. We staan aan de oever als we klaar zijn met de basisschool en aan een hele nieuwe school gaan beginnen. We staan aan de oever als we als ouders en verzorgers onze kinderen los moeten gaan laten. We staan aan de oever als we met pensioen gaan en ons leven opnieuw vorm moeten geven. We staan aan de oever als we iemand verloren hebben en niet weten of dat Beloofde Land nog met ons te maken heeft. We staan aan de oever …. Hoe moeten we verder?

Bouw een monument – herinner!

Israël moet stenen verzamelen. Stenen die op de bodem van de grensrivier lagen. Stenen die normaal gesproken bedekt werden door het soms kolkende en verstikkende water van zorgen, angsten en schuld. Maar nu moest het volk Israël de stap zetten. ‘Zet je voet op het water en er zal een pad komen’ beloofde God. ‘Ga maar, want Ik ga met je mee’.

Daar waar geen weg leek te zijn, waar toekomst, verlangen en hoop buiten bereik leek te zijn, kwam er met Gods hulp een weg. Dwars door de rivier.

De stenen die de Israëlieten opstapelen vormen een monument. Vergeet dit niet. Herinner. Vertel het verhaal van Gods bewogen en betrokken zorg. Vertel het verhaal van Gods bevrijdend handelen.

Monumenten vertellen verhalen. De struikelstenen in Sliedrecht vertellen het verhaal van onze Joodse inwoners. Monumenten vertellen ons de verhalen van het verleden en verbinden die met ons handelen nu.

Zo kunnen gewone stenen tot stenen van hoop worden, zoals we die hier in de kerk verzameld hebben. Zo’n steen kan je helpen herinneren dat je niet alleen bent. Zo’n steen kan je eraan herinneren dat God je misschien eerder geholpen heeft. Of aan de belofte dat Hij nabij is.

Herinner en ga met God!

Het volk Israël ging op weg. Ze gingen, richtten stenen op en verlegden de loop van hun leven. Ze gingen met God de toekomst tegemoet. Dat is wat Jozua ons te vertellen heeft. ‘Ga maar’ zegt God. ‘Zet die stap naar de toekomst maar. Met alle vreugde en uitdaging. Met alle plezier en verlangen. Met alle zorg en verdriet. Ga maar. Je bent niet alleen. Kijk maar naar die stenen – weet je nog?’

Vragen om over na te denken:

  1. Wanneer stond jij ‘aan de oever van de Jordaan’? Voor welke nieuwe fase stond je toen? Wil je daar iets over vertellen?
  2. Wat heeft je geholpen om de stap te zetten?
  3. Heb jij momenten in je leven meegemaakt die een monument verdienen, zodat je er steeds aan herinnerd wordt?
  4. Opdracht: zoek een mooie steen of kei. Schilder, teken of schrijf daar een boodschap op en geef deze kei aan iemand die je graag wilt steunen.

Gebed

Hemelse Vader,

Wat is het soms spannend om aan iets nieuws te beginnen. Wat is soms ingewikkeld om afscheid te moeten nemen van een hele periode. Van school, van vriend(inn)en, van meesters en juffen. We willen U danken voor al het goede dat er was, voor de mooie dingen – dat dat ook tot zegen mag zijn in de komende tijd. Waar dingen niet goed waren, wilt U ons helpen om daar een weg in te vinden?

Wilt U met ons meegaan op de nieuwe en onbekende weg, opdat we weten dat we nooit alleen zullen zijn. Zo bidden we U in Jezus’ naam. Amen

Gewenst en geliefd

14 jun

Vorige week kreeg ik een brief van een verontruste moeder in Sliedrecht. Zij vertelde dat een van haar kinderen met regelmaat te maken krijgt met racisme vanwege haar huidskleur. Het zijn met name (christelijke) kinderen en jongeren die het leven van haar dochter zo zuur maken.

Geen geïsoleerd probleem

Dit staat niet op zichzelf. Het televisieprogramma ‘Ook hier’ laat op indringende wijze zien hoe de racistische bejegening tot in de haarvaten van onze samenleving zit. In onze taal, in onze grappen, in onze tradities, in ons kijken, in ons zwijgen. “Ik denk niet dat die mensen racistisch zijn. Ze zijn vooral onwetend. Ze hebben geen idee wat hun woorden uitwerken”, merkt een van de geïnterviewden in de documentaire op. Tegelijkertijd doen die bejegening, de woorden en het kijken pijn. “Ja, ik ben boos en teleurgesteld als dat gebeurt. En ik moet vechten om niet bitter te worden en te gaan haten.”

De wereldwijde protesten na de dood van George Floyd laten zien dat racisme geen geïsoleerd probleem is van een enkeling die over de schreef gaat. Nee, er is iets goed mis met hoe we met elkaar omgaan. Discriminatie betekent onderscheid maken: je verheft jezelf boven die ander. Er is een ‘wij’ en een ‘zij’. Die ‘zij’ vormt een bedreiging. Discriminatie ontmenselijkt. Grapjes en woorden zijn niet onschuldig. Dragen de grapjes bij aan het klimaat waarin anderen de adem wordt ontnomen? Hebben wij onze knie in de nek gezet van vrouwen, mensen met een andere huidskleur, lhtbi-ers, Joden, Moslims – in de nek van die ander? Om haar, om hem klein te maken en klein te houden?

Misschien niet door de woorden die ik spreek. Maar misschien wel door mijn zwijgen. Daarom mogen we niet zwijgen als we getuige worden of zijn van onrecht.

Niet langer slaven…

We lezen zondag 14 juni 2020 Romeinen 8, 12-17, met als kernvers: “U hebt de Geest niet ontvangen om opnieuw als slaven in angst te leven, u hebt de Geest ontvangen om Gods kinderen te zijn, en om hem te kunnen aanroepen met ‘Abba, Vader’.”

Het is een tekst die haakt, juist in deze tijd waarin ook veel aandacht uitgaat naar het slavernijverleden van Nederland.

Misschien is het goed om eerst iets over de achtergrond van de tekst te vertellen. Paulus vertelt in de brief aan de Romeinen over de staat van de mensheid. We leven met een schuld, met een onvermogen waardoor we onze bestemming uit het oog verliezen en ons doel missen. We hebben te maken met een krachtenveld en met machten die ons naar beneden halen en het goede leven onmogelijk maken.

We zijn gaan geloven dat we koste wat het kost onszelf moeten handhaven. We zijn gaan geloven dat de ander een bedreiging vormt. Ons leven is gericht geraakt op prestatie en macht. Dat is wat Paulus in de Romeinenbrief onder ‘eigen wil’ of ‘natuur’ schaart. Die weg loopt dood. Dat is geen straf, maar een consequentie van die weg.

Maar Paulus vertelt ook van de ongedachte redding door Jezus, de Messias. Die redding heeft een nieuwe weg geopend: de heilige Geest wil in ons wonen. Zo hebben we toegang tot het volle leven.

In de woorden van Paulus komen allerlei verhalen en gedachten uit het Oude Testament mee. Daar lezen we hoe God Israël uit Egypte, uit het land van de slavernij heeft gered om naar het Beloofde Land te gaan. God ging mee op die tocht door de woestijn: zijn nabijheid was zichtbaar in een wolkkolom.

Tijdens die reis waren er geregeld momenten dat het volk Israël terug verlangde naar Egypte. De weg van de vrijheid is soms een zware gang die om volharding vraagt.

Deze context klinkt mee in Romeinen 8. Ook in ons leven kan het woestijntijd zijn. Een tijd waarin we belaagd worden en er aan ons getrokken wordt – zijn we niet beter af als we ons overgeven aan de machten en de krachten die in ons huizen? Maar zoals in de tijd van Israël God zichtbaar was in die wolkkolom, zo is de heilige Geest in ons de persoonlijke aanwezigheid van de levende God.

Nieuwe identiteit

Door de heilige Geest vinden we onze nieuwe identiteit. Het betekent allereerst dat we moeten volharden en volhouden om te strijden tegen wat ons neerhaalt en wegtrekt van onze bestemming. Bij het dragen van Christus’ naam hoort ook levensheiliging. Ik kom daar zo op terug.

Het tweede is dat de heilige Geest ons ‘Abba, Vader’ leert zeggen. We mogen geloven dat we aangenomen zijn als Gods kinderen: gewenst en geliefd. Gods liefde is in al zijn volheid in ons hart uitgegoten. Dát is onze nieuwe identiteit.

Wat betekent dat concreet?

Deze identiteit heeft allereerst invloed op ons Godsbeeld. God is niet de God van dreiging, maar de God die ons zoekt, schraagt en draagt. Deze onvoorwaardelijke liefde verandert ons leven: het vraagt om levensheiliging die zich uit in het grote gebod: heb God lief, en je medemens als jezelf.

In de tweede plaats heeft deze identiteit invloed op ons zelfbeeld. God blijft het herhalen: jij bent mijn geliefd kind. Je bent gewenst en geliefd. In ons kunnen anderen stemmen klinken. Stemmen die zeggen dat je pas wat voorstelt als je iets hebt gepresteerd. Stemmen die je neerhalen en zeggen dat je nietswaard bent. Stemmen die zeggen dat je niet goed genoeg bent en die raken aan je angst voor afwijzing en voor in de steek gelaten worden. Die stemmen zorgen ervoor dat je jezelf afwijst of dat je anderen kleiner maakt om jezelf te positioneren. Deze stemmen bouwen het fundament voor racisme. Deze stemmen zijn ‘de eigen wil’ waar Paulus het over heeft.

Maar onze identiteit ligt dus in het gegeven dat we kind van God zijn.

Tot slot heeft die identiteit ook invloed op ons beeld van de ander. De ander is niet langer een bedreiging, maar ook kind van God. We mogen met Gods ogen naar onze medemensen kijken. We mogen uitdelen van de liefde die we van God ontvangen hebben.

In onze relatie met anderen gaat veel mis. De laatste woorden van George Floyd waren: ‘Ik krijg geen lucht’. In een kerkdienst haalde Rev. Al Sharpton deze woorden aan. Hij verhaalde hoe de zwarte gemeenschap in haar mogelijkheden wordt beknot, omdat er een knie op de nek gezet is. Dat is wat racisme doet. Wat antisemitisme doet. Wat discriminatie van vrouwen en lhtbi-ers doet. Wat huiselijk en seksueel geweld doet. ‘Ik krijg geen adem’.

Een knie in de nek

Als je slachtoffer bent van onrecht dan vraag ik je hoe wij je kunnen helpen om stem te geven aan het onrecht. Maar ik stel ook de vraag aan mijzelf en aan jou: wie ontneem jij de adem? Wie krijgt geen lucht door wat je zegt of doet, door je grapjes en pesterijtjes, door je zwijgen?

Tegen de moeder in Sliedrecht zeg ik: het spijt me waar ik mijn knie in de nek van je dochter heb gezet. Door te zwijgen of door niet het goede voorbeeld te geven.

Aan ons is de keuze: we hebben de Geest van God gekregen om als Gods kinderen Hem aan te roepen als ‘Vader’. Of keren we liever terug naar het leven waarin we in de ban zijn van angst en beklemming?

Vragen

  1. Wat betekent het voor je dat je kind van God genoemd wordt? Kun je die gedachte toelaten? Wat helpt je daarin of wat roept weerstand op?
  2. Herken je de strijd waar Paulus over spreekt? hoe ga je hiermee om?
  3. Heb jij wel eens te maken met discriminatie of ander onrecht? Wil je hier iets over vertellen? Wat heb je nu van de ander nodig?
  4. Heb jij je wel eens schuldig gemaakt aan discriminatie of ander onrecht? Wil je hier iets over vertellen? Hoe zou je dit kunnen herstellen?
  5. Wat kun jij persoonlijk en wat kunnen wij als kerkelijke gemeenschap doen voor de strijd tegen racisme?

Gebed

Hemelse Vader, God van licht en leven, dank U wel dat ik uw kind mag zijn. Help mij om te volharden in de strijd tegen alles wat mij van mijn bestemming wegvoert. Help mij om stil te worden en uw stem, uw heilige Geest in mij te leren verstaan. Wilt U met uw wereld zijn dat uw Rijk mag komen. Zegen wie zich sterk maakt voor de strijd tegen onrecht, zegen brengers van hoop en dragers van licht, Wees met wie ik meedraag in mijn hart, in de naam van Jezus, amen

Kunnen we nog wel terug naar de kerk van voor de coronacrisis?

8 jun

De coronacrisis grijpt diep in in het kerkelijk leven. De beperkingen om verspreiding van het virus te voorkomen, raakten en raken aan de kern van het gemeente- en geloofsleven. De geloofsgemeenschap draait voor een belangrijk deel om de zondagse eredienst (het samen zingen, bidden en ontmoeten) en om de onderlinge ontmoetingen of contacten (koffiedrinken na kerktijd, koor, geloofskringen, pastoraat, enz.). Samen vieren en ontmoeten vormen toch het fundament van het gemeente-zijn. Nu dit niet meer vanzelfsprekend is, raakt dit niet alleen de organisatie van de plaatselijke gemeente, maar ook de symboliek van ‘het Lichaam van Christus’. Het Lichaam van Christus heeft alles te maken met nabijheid en het aanraken van de uitgestotenen van de samenleving.

Voor veel gemeenteleden is het een lastige tijd. De onderlinge ontmoeting(en), de samenkomsten en de gezelligheid worden enorm gemist. De digitale vieringen worden weliswaar gewaardeerd, maar ze halen het niet bij de ‘echte’ vieringen. Sommigen zien de digitale vieringen als surrogaat. Met reikhalzend verlangen wordt dan ook uitgekeken naar het moment dat het weer was als voor de coronacrisis.

Het nieuwe normaal

Inmiddels biedt de overheid een weg om van de ‘intellectuele lockdown’ naar ‘het nieuwe normaal’ te gaan. Er is nog geen structurele oplossing tegen het virus, dus de maatregelen zijn en blijven erop gericht om besmettingen zoveel mogelijk te voorkomen. Die maatregelen hebben betrekking op hygiëne, afstand houden en het mijden van grote groepen.

De impact van ‘het nieuwe normaal’ op de cohesie in de samenleving is fors. Ook nu er voorzichtig ruimte komt voor meer activiteiten blijft de nadruk nog steeds liggen op hygiëne maatregelen, het houden van afstand, het beperken van drukte enz. Om dit in goede banen te leiden, moet er over van alles worden nagedacht, wat voorheen nog vanzelfsprekend was. Het sociale leven wordt in protocollen samengevat.

Waar de één kan uitkijken naar een bioscoopbezoek of een terrasje, moeten anderen nog wachten op versoepeling van bezoekregelingen. De overheid mikt op beheersbaarheid van het aantal besmettingen en daardoor kan de samenleving heel geleidelijk aan, dus in etappes, weer naar meer ruimte gaan.

Een stappenplan voor de kerk

Voor de kerk komt er ook weer meer ruimte. Per 1 juni zijn bijeenkomsten tot 30 mensen mogelijk en vanaf 1 juli tot 100 personen, waarbij steeds de voorwaarden van 1,5 meter, geen gezondheidsklachten, een goede hygiëne enz. blijven gelden. De landelijke kerk (PKN) heeft een protocol opgesteld om binnen deze mogelijkheden toch tot gemeenschapsbeoefening te kunnen komen. Het protocol biedt echter door de gegeven mogelijkheden een sterk verdunde oplossing.

Wat betekent het protocol voor onze vieringen? Het eerste dat opvalt, is dat de 1,5 meter maatregel veel doet met de sfeer in de kerkzaal. De extra ruimte tussen de zitplaatsen gaat ten koste van de warmte en gezelligheid. Wij hebben in onze kerkzaal losse stoelen. Doordat de stoelen op 1,5 meter afstand staan, oogt de kerkzaal als een examenlokaal.

We zijn er nu op gericht om niet in elkaars ruimte te komen. Er zijn afgesproken looproutes. En zo ontstaat er een stille dans waarin we niet gericht kunnen zijn op verbondenheid, maar op het mijden van de ander.

Het tweede dat opvalt, is dat het gezamenlijk zingen zeer waarschijnlijk niet mogelijk zal zijn, terwijl dat zingen juist zo verbindend is en voor velen zo nodig is als uitlaatklep van emoties.

In de derde plaats moet er vooraf gereserveerd gaan worden; er zijn in de meeste kerken immers meer kerkgangers dan 1,5 meter plaatsen beschikbaar. Mogen mensen elke zondag komen of moeten we een beperking opleggen? Hebben bepaalde personen voorrang? Wat doen we met mensen die niet snel bellen of digitaal niet vaardig zijn? Hoe halen we ‘gunners’ (gemeenteleden die op zich graag zouden willen, maar het anderen meer gunnen) over de streep? Wat betekent het dat we bij voorbaat selecteren: immers mensen met een kwetsbare gezondheid en ouderen zijn nu nog niet welkom? Kortom: allemaal punten die voortvloeien uit het protocol en die te denken geven omdat het ook raakt aan het Lichaam van Christus.

Eerste ervaringen

Is dit niet te somber? Vertellen de eerste ervaringen van kerkgangers die binnen de nieuwe mogelijkheden weer meevieren niet een ander verhaal? In onze eigen kerk laten we vanaf juni een zevental gemeenteleden toe als versterking van de gemeentezang. Sommigen zijn blij en opgelucht dat ze weer in de kerk mogen komen. Het zijn ook de geluiden die uit interviews op televisie of in de kranten te horen zijn.

Er is echter ook een andere kant. De weg naar meer ruimte en mogelijkheden komt immers juist niet tegemoet aan het verlangen naar verbondenheid en fysieke nabijheid. Hoe goed we ook onze best zullen doen, op deze manier de kerkdienst vormgeven is slechts een aftreksel van hoe een kerkdienst voor de coronacrisis gevierd en beleefd werd.

Ramen open en wandelschoenen aan?

Het effect van de coronacrisis op het samenkomen nodigt uit tot een nadere doordenking. Als kerk hebben we al snel de neiging om ons op onszelf terug te trekken in ivoren torens. Het blijkt lastig om onze blik naar buiten te richten en onze ramen en deuren te openen.

De coronacrisis dwingt ons opnieuw naar gemeente-zijn te gaan kijken. Binnen is niet langer de veilige en warme plek, en het aantal leden werkt in het nadeel. Hoe meer leden een kerk heeft, hoe lastiger het is om samen te komen.

Misschien is het tijd om de ramen te openen en onze schoenen aan te trekken om ons naar buiten te begeven. Juist nu, met Pinksteren in de rug, is het tijd om op weg te gaan.

Hoe dan?

Laat ik voorop stellen dat het coronavirus een uitermate besmettelijk en ernstig virus is. ‘Gewoon teruggaan’ naar vroeger zonder regels is dus beslist géén optie. De protocollen en afspraken zijn noodzakelijk en binnen de strijd tegen corona, ook nuttig.

Als kerkelijke gemeenschap hebben we echter juist nu alle creativiteit nodig om te groeien in geloof en onderlinge verbondenheid. Het vraagt om geestkracht om opnieuw ‘het Lichaam van Christus’ te beleven en te vieren.

Blijven inzetten op digitale vieringen

Mijn voorstel is daarom om in de komende maanden vol in te zetten op de digitale vieringen. We blijven communiceren dat de diensten digitaal doorgaan. Alleen bij speciale vieringen (bijvoorbeeld doop- of belijdenisvieringen), kunnen gasten aanschuiven. Het is goed uit te leggen dat deze gasten zich vooraf aanmelden en dat voor hen plaatsen worden gereserveerd.

Digitale vieringen zijn géén surrogaatvieringen. De gemeente van Christus is ook digitaal verbonden. Juist omdat we nu nog intenser verbonden zijn met onze ouderen, chronisch zieken en mensen die om andere redenen altijd al thuis meeluisterden, maar wel het verlangen kenden om echt onderdeel van de gemeente te zijn. Nu we allemaal digitaal verbonden zijn, komen we dichter bij deze groep gemeenteleden.

We hoeven nu geen mensen de deur te wijzen omdat de kerk ‘vol’ is of omdat ze niet gereserveerd hebben. We hoeven niet te zeggen dat ouderen en mensen met een kwetsbare gezondheid eigenlijk niet welkom zijn. We kunnen digitaal naar nabijheid en verbondenheid zoeken. Wel zal er geïnvesteerd moeten worden in meer interactie tijdens de vieringen. Daarnaast zullen we blijvend moeten investeren in de kwaliteit van de digitale vieringen.

Ook worden we uitgenodigd om andere mogelijkheden van het internet te onderzoeken. Hoe kunnen we in gesprek komen met gemeenteleden, zoekers en toevallige voorbijgangers?

Inzetten op groepsvorming

Naast de digitale vieringen is de uitdaging om krachtig in te zetten op groepen. De digitale viering kan als start werken, waarna op interactieve wijze de tekst van de preek als startpunt voor het gesprek of meditatieve verwerking in kleine groepen zou kunnen werken.

Naast het inhoudelijke gesprek in kleine groepen, kunnen we ook investeren in gezellige ontmoetingen. De kerk zou bijvoorbeeld een aantal dagdelen open kunnen zijn voor een kopje koffie.

In die kleine groepen wordt mijn inziens wel gevonden wat gemeenteleden zoeken: aandacht, verbondenheid en gesprek.

We kunnen ook aansluiten bij Missie Nederland die voor de kerken een ontwikkeling in groepen voorziet.

Straal vreugde en creativiteit uit

Overigens is het van belang om in de inrichting van onze gebouwen en in onze activiteiten vreugde uit te stralen en ruimte te laten voor creativiteit. Wat is er mogelijk binnen de ruimte die de overheid geeft? Waar moeten we de grens opzoeken of de gestelde grens bevragen en waar moeten we juist voor andere wegen kiezen?

De vreugde en creativiteit moeten we ook vertalen naar de nieuwe inrichting van de kerk. Nu we minder zitplaatsen nodig hebben, zou ik voor de inrichting van de kerkzaal niet willen streven naar de maximaal 100 stoelen, maar zou ik veel liever zoeken naar een meer gezellige uitstraling. Liever 40 stoelen rond een tiental tafels dan 100 stoelen in examenklas-opstelling.

Tot slot

Het zou mij heel wat waard zijn als we deze tijd gebruiken om enerzijds rustig en weloverwogen na te denken over de wijze waarop wij ‘de teruggekregen ruimte’ innemen en anderzijds om actief een forse stap vooruit te zetten naar de digitale kerk en de kerk in groepen. Of wel: gaan we (provisorisch) terug naar hoe het was of is dit de kans om een sprong vooruit te wagen?

Waar ben je thuis?

25 mei

17 mei jl. was het de internationale dag tegen homofobie, bifobie, transfobie en interseksefobie. Op deze dag wordt aandacht gevraagd voor de soms zo belaagde positie van lhtbi-ers ten gevolge van homohaat. Het is noodzakelijk dat er blijvende aandacht is voor de sociale positie van deze groep. Pas in 1990 werd homoseksualiteit door de Wereldgezondheidsorganisatie WHO geschrapt van de lijst van geestesziekten. In Nederland kwam er vanaf de jaren ’60 en ’70 van de vorige eeuw meer ruimte voor emancipatie van lhtbi-ers. Een mijlpaal was de openstelling van het burgerlijk huwelijk in 2001 voor mensen van hetzelfde geslacht.

Er is veel positiefs te vertellen over toenemende acceptatie in de samenleving en de groeiende bewustwording van lhtbi-ers. Tegelijkertijd blijft hier in ons eigen land, in onze eigen buurten aandacht nodig. Dat blijkt uit het filmpje dat Rob Jetten op Twitter zette. Het blijkt uit het verhaal van activist Saïd Zankoua (1990-2020). Het blijkt uit de verhalen van stellen die op dit moment te maken hebben met dreiging of geweld. Het blijkt uit al die verhalen van jongeren die leven met angst om uit de kast te durven komen.

Homohaat is niet het geïsoleerde probleem van een ontspoorde enkeling, maar kan alleen ontstaan en gedijen in een bepaalde context. Als op een sportvereniging ‘homo’ een geaccepteerd scheldwoord is, als op verjaardagen en partijen denigrerende homograppen niet weersproken blijven, als in geloofsgemeenschappen negatief en onzorgvuldig gesproken wordt over lhtbi-ers dan groeit er een schadelijk klimaat. Binnen dat klimaat zullen jongeren en ouderen zich wel tien keer bedenken voor ze uit de kast durven komen en het gesprek over hun identiteit aan durven gaan. Homofobie zal onderdeel uitmaken van dat klimaat (ook als individuen er zelf anders over denken) en het zaad voor homovijandige handelingen kan ontkiemen en groeien. Homofobie wordt ook niet gestopt door een bepaalde partij als zondebok aan te wijzen om niet naar de eigen context te hoeven kijken. Nu wordt bijvoorbeeld op de sociale media naar Marokkanen gewezen. Morgen kan het de kerk zijn. Homofobie is niet alleen een Marokkanenprobleem of alleen een kerkelijk probleem. Elke gemeenschap, vereniging, buurt of kerk heeft zijn sterke en zwakke kanten. De Marokkaanse gemeenschap mag aangesproken worden op het klimaat waarbinnen homohaat kan groeien. Maar niet elke Marokkaan is een homohater en de homofobie is niet opgelost door het in de schoenen te schuiven van de Marokkaanse gemeenschap. Wat is jouw eigen rol hierin? Zwijg je op je sportvereniging en kijk je weg? Hoe spreek jij over lhtbi-ers?

Iedereen heeft behoefte aan een veilige plaats om over identiteit, verbondenheid en betekenis na te denken. Een plek waar je thuis komt. Thuis wordt gekenmerkt door veiligheid en geborgenheid. Een ruimte om te groeien, een ruimte waarbinnen ook kritische vragen gesteld mogen worden.

Kan de kerk zo’n veilige plek zijn? ‘Kerk’ is een breed begrip en er is een grote diversiteit in opvattingen over homoseksualiteit. In veel kerken zijn lhtbi-ers van harte welkom, maar in veel kerken ook niet. Hoewel vrijwel geen geloofsgemeenschap hardop zal zeggen dat lhtbi-ers niet welkom zijn, zullen verharde discussies over wat ‘de Bijbel zegt’ of over wat wel of niet mag binnen die gemeenschappen wel dat gevoel geven. Het doet veel met je als je object wordt van een discussie. Laten we elkaar in de ogen blijven kijken en laten we met ons hart spreken, ook als er verschil van mening is. Ik ben blij met het initiatief Wijdekerk waar je kunt zien welke ruimte er in welke kerk is voor lhtbi-ers.

Hoe is het in onze kerk? In het nieuwe beleidsplan omschrijven we onze gemeente als een plaats waar ieder thuis kan komen. Wat we voorstaan is dat we verscheidenheid waarderen en uitgaan van verbondenheid. Wie lid is van onze gemeente, is ook volwaardig lid. Enkele jaren geleden hebben we als kerkenraad, na raadpleging van de gemeente, besloten dat ook homoseksuelen die gaan trouwen een zegen over hun huwelijk kunnen ontvangen.

We hechten er waarde aan dat ieder in onze gemeente een thuis mag vinden. We staan voor een inclusieve gemeente waar een ieder volwaardig lid van kan worden en mee kan doen.

De Bijbel in de oorspronkelijke taal begint met de Hebreeuwse letter Beth. De letter betekent ‘huis’.  Het is een open vierkantje: en biedt een fundament om op te staan, een steun in de rug en beschutting boven het hoofd. De rest van de Bijbel komt uit de open zijde. Rabbijnen zien in deze letter terugkomen wie God is.

Beth | Radio Israel

Als geloofsgemeenschap dragen we die gedachte met ons doen en laten, met ons zwijgen en spreken uit. Een huis voor ieder hart. Welkom thuis.